====== 6 Gebruiksfase ====== De gebruiksfase begint normaal gesproken waar de uitvoeringsfase ophoudt. Het onderhoud van tijdelijke locaties wordt gezien als een tussenfase, zoals in het geval van een tijdelijk ingericht depot of in het geval van een in-situ-systeem. In het kader van deze richtlijn vallen onder andere de volgende situaties binnen de tijdelijke onderhoudsfase: * in stand houden en beheren van in-situ-systemen en waterzuiveringen (zie 6.1); * tijdelijke opslag van verontreinigde bodem of baggerspecie niet zijnde sanering (zie 6.2). De volgende situaties vallen onder de perma­nente onderhoudsfase: * onderhoud en beheer bij niet-geïsoleerde restverontreinigingen; * onderhoud en beheer bij geïsoleerde verontreinigingen (afgedekt door middel van een leeflaag of bouwstof). Het V&G-dossier/beheersplan beschrijft de noodzakelijke maatregelen om de uitvoeringslocatie te kunnen beheren en onderhouden. De opbouw en functionaliteit van het V&G-dossier inclusief beheersplan zijn nader beschreven in Module 6. In de gebruiksfase bij locaties met restverontreinigingen is het van belang te weten: * welke restverontreinigingen aanwezig zijn en wat de aard en concentratie daarvan is; * waar de verontreinigde bodem zich bevindt onder een eventuele leeflaag; * wat de aard en locatie van isolatielagen is. {{crow400:h6.jpg?400|Klik op de afbeelding voor een vergroting.}} ===== 6.1 Beheer in-situ-systemen en waterzuiveringen ===== Bij in-situ-systemen wordt een vaste installatie geplaatst waarbij op vastgestelde tijdstippen monsters worden genomen. Op basis van analyse van deze monsters wordt gecontroleerd of de in-situ-systemen nog juist werken en of de doelstellingen met betrekking tot maximale concentraties van stoffen reeds zijn gehaald. Ook bij waterzuiveringen moeten regelmatig monsters worden genomen, van zowel het influent als het effluent. Bij het nemen van de monsters, doorspoelen van leidingen of uitvoeren van onderhoud aan deze systemen, bestaat de kans op blootstelling aan gevaarlijke stoffen en/of biologische agentia. De veiligheidsklasse voor de werkzaamheden moet vooraf worden vastgesteld (Module 3). Hiervoor worden de analyseresultaten van de genomen monsters gebruikt. Vervolgens wordt, op basis van de vastgestelde veiligheidsklasse en de risico’s van de uit te voeren werkzaamheden, vastgesteld welke maatregelen nodig zijn. Bij in-situ-systemen/waterzuiveringen mogen derden geen toegang hebben tot de installatie. Tijdens de beheerfase wordt een logboek (Module 6) bijgehouden onder verantwoordelijkheid van de beheerder, waarin wordt opgenomen wanneer en door wie monsters zijn genomen. Met name waterzuiveringen kunnen stoffen bevatten die kunnen leiden tot risicovolle situaties. Deze kunnen losstaan van de oorspronkelijke verontreinigingen; gedurende het reinigingsproces kunnen bijvoorbeeld chemicaliën worden gebruikt en/of andere toxische stoffen of explosieve mengsels ontstaan. {{crow400:h6.1.jpg?400|Klik op de afbeelding voor een vergroting.}} Bij het verwijderen van het in-situ-systeem of de waterzuiveringsinstallatie moet worden vastgesteld of het in gebruik zijnde materieel is verontreinigd. Dit is het geval als de terugsaneerwaarde boven de Interventiewaarde of de humane ernstig risicowaarde ligt. In dat geval dienen materieel en hulpmiddelen vóór het verlaten van de verontreinigde zone te worden gereinigd. Een voorwaarde is uiteraard dat hiervoor toereikende faciliteiten (waaronder een spuitplaats) beschikbaar zijn; zo niet, dan kan de reiniging beter plaatsvinden op een daartoe vergunde inrichting. Als de gereinigde bodem geen verontreiniging meer bevat, is afspoelen van het materieel voldoende. Men dient uit te gaan van het principe dat het materiaal of materieel schoon wordt opgebouwd en schoon wordt afgevoerd. ===== 6.2 Tijdelijke opslag van verontreinigde grond of baggerspecie ===== Aan tijdelijke opslag zijn voorwaarden verbonden en goedkeuring van het bevoegd gezag. Ook geldt voor de opslag vaak een maximaal toegestane duur van drie jaar op de landbodem en tien jaar bij opslag op de waterbodem. Dit wordt geregeld in het Bbk (buiten inrichtingen) of in het Activiteitenbesluit of de omgevingsvergunning (binnen inrichtingen). In het Bbk wordt wat betreft de tijdelijke opslag van verontreinigde bodem of baggerspecie onderscheid gemaakt tussen de volgende situaties: * kortdurende opslag (< 6 maanden); * tijdelijke opslag op landbodem; * tijdelijke opslag in oppervlaktewater; * opslag van baggerspecie op aangrenzend perceel (weilanddepot); * opslag bij tijdelijke uitname op dezelfde locatie. De termijnen voor opslag zijn geregeld binnen de milieuwetgeving. Voor de meest actuele termijnen wordt verwezen naar de vigerende wet- en regelgeving. Het vaststellen van de gewenste arbeidshygiënische maatregelen op een locatie ingericht voor (tijdelijke) opslag dient te geschieden door een veiligheidskundige. Voor de borging moet een V&G-plan worden opgesteld. Het vaststellen van de gewenste milieukundige maatregelen dient te geschieden door de milieukundige en wordt vastgelegd in een saneringsplan. De verantwoordelijkheid ligt bij de opdrachtgever. De maatregelen moeten zijn afgestemd op alle stappen in het proces, van aanleg tot en met ontmanteling/verwijdering van de opslag. Hierbij moet aandacht worden besteed aan: * het treffen van beschermmaatregelen (verbod- of signaleringsbord) om beschadiging van de beschermende maatregelen te voorkomen; * het voorkomen van verwaaiing van het opgeslagen materiaal; * het voorkomen van stofvorming; * het voorkomen of beperken van emissies; * het beheerst uitvoeren van de werkzaamheden binnen het depot (deze werkzaamheden mogen niet leiden tot onbeheerste emissies). De op deze locatie uitgevoerde werkzaamheden worden geregistreerd in een logboek. Hierin wordt bijgehouden wie wanneer welke activiteiten en eventuele (lucht)metingen heeft uitgevoerd. Bij tijdelijke opslag van niet-toepasbare verontreinigde bodem of baggerspecie (boven de interventiewaarde) moet de opslaglocatie op dusdanige wijze zijn opgebouwd en afgeschermd dat onbevoegden geen toegang hebben. Er moet duidelijk zijn aangegeven dat het gaat om een verontreinigde locatie. Bijvoorbeeld met borden met ten minste de tekst ‘Verontreiniging’ en het pictogram ‘Geen toegang voor onbevoegden’. Op de scheiding tussen de opslaglocatie en de schone zone kan, afhankelijk van het geldende risico (zie Module 4), een sanitaire unit aanwezig zijn voor personeel dat werkzaamheden verricht op de tijdelijke opslaglocatie. Bij het verwijderen van de tijdelijke opslag moeten alle maatregelen worden genomen die de vastgestelde veiligheidsklasse voorschrijft. Als het op basis van de voorwaarden van het Bbk niet mogelijk is bodem of baggerspecie op te slaan (bijvoorbeeld vanwege CM-stoffen), dient het bodemmateriaal te worden afgevoerd naar een inrichting die op grond van een vergunning of vanuit het activiteitenbesluit verontreinigde bodem of baggerspecie mag accepteren. ==== Tijdelijke opslag op saneringslocaties ==== Het vaststellen van de gewenste arbeidshygiënische maatregelen op een locatie ingericht voor (tijdelijke) opslag dient te geschieden door een veiligheidskundige. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij de Opdrachtgever. Voor de borging moet een V&G-plan worden opgesteld. Milieukundige randvoorwaarden voor de (tijdelijk) opslag op de saneringslocatie volgen uit het saneringsplan of saneringsbeschikking of in het geval van een BUS sanering volgen uit de Regeling uniforme saneringen. Daarnaast is de zorgplicht uit de Wbb/Wm van toepassing en dient verspreiding naar de onderliggende bodem en omgeving te worden voorkomen. De verantwoordelijkheid ligt bij de Opdrachtgever. De maatregelen moeten zijn afgestemd op alle stappen in het proces, van aanleg tot en met ontmanteling/verwijdering van de opslag. Hierbij moet aandacht worden besteed aan: * het treffen van beschermmaatregelen (verbod- of signaleringsbord) om beschadiging van de beschermende maatregelen te voorkomen; * het voorkomen van verwaaiing van het opgeslagen materiaal; * het voorkomen van stofvorming; * het voorkomen of beperken van emissies; * het beheerst uitvoeren van de werkzaamheden binnen het depot (deze werkzaamheden mogen niet leiden tot onbeheerste emissies). De op deze locatie uitgevoerde werkzaamheden worden geregistreerd in een logboek. Hierin wordt bijgehouden wie wanneer welke activiteiten en eventuele (lucht)metingen heeft uitgevoerd. Bij tijdelijke opslag van niet-toepasbare verontreinigde bodem of baggerspecie (boven de Interventiewaarde) moet de opslaglocatie op dusdanige wijze zijn opgebouwd en afgeschermd dat onbevoegden geen toegang hebben. Er moet duidelijk zijn aangegeven dat het gaat om een verontreinigde locatie. Bijvoorbeeld met borden met ten minste de tekst ‘Verontreiniging’ en het pictogram ‘Geen toegang voor onbevoegden’. Op de scheiding tussen de opslaglocatie en de schone zone kan, afhankelijk van het geldende risico (zie Module 4), een sanitaire unit aanwezig zijn voor personeel dat werkzaamheden verricht op de tijdelijke opslaglocatie. Bij het verwijderen van de tijdelijke opslag moeten alle maatregelen worden genomen die de vastgestelde veiligheidsklasse voorschrijft. Als het op basis van de voorwaarden van het Bbk of de RUS niet (langer) mogelijk is bodem of baggerspecie op te slaan (bijvoorbeeld vanwege CM-stoffen), dient het bodemmateriaal te worden afgevoerd naar een inrichting die op grond van een vergunning of vanuit het activiteitenbesluit verontreinigde bodem of baggerspecie mag accepteren. ==== Tijdelijke opslag elders ==== Aan tijdelijke opslag zijn voorwaarden verbonden. Ook geldt voor de opslag vaak een maximaal toegestane duur van drie jaar op de landbodem en tien jaar bij opslag op de waterbodem. Dit wordt geregeld in het Bbk (buiten inrichtingen) of in het Activiteitenbesluit of de omgevingsvergunning (binnen inrichtingen). In het Bbk wordt wat betreft de tijdelijke opslag van verontreinigde bodem of baggerspecie onderscheid gemaakt tussen de volgende situaties: * kortdurende opslag (< 6 maanden); * tijdelijke opslag op landbodem; * tijdelijke opslag in oppervlaktewater; * opslag van baggerspecie op aangrenzend perceel (weilanddepot); * opslag bij tijdelijke uitname op dezelfde locatie. De voorwaarden en termijnen voor opslag zijn geregeld in de milieuregelgeving. Hiervoor wordt verwezen naar de vigerende wet- en regelgeving (Activiteitenbesluit en Besluit bodemkwaliteit). ===== 6.3 Restverontreiniging: mobiel en niet-mobiel ===== De maatregelen die nodig zijn om mobiele en niet mobiele restverontreinigingen te isoleren, volgen uit het saneringsplan of uit het BUS. Indien er vooraf geen maatregelen gepland of verwacht waren maar er tijdens de uitvoering onverwacht restverontreinigingen zijn achtergebleven worden hierover met het bevoegd gezag Wbb afspraken gemaakt. Als na een sanering een restverontreiniging achterblijft, kan deze eventueel door een ‘signaallaag’ (bijvoorbeeld folie of geotextiel) worden gescheiden van de niet-verontreinigde bodem. Alle restverontreinigingen die leiden tot gebruiksbeperkingen en of nazorgmaatregelen worden opgenomen in een nazorgplan (dat onderdeel is van het evaluatieverslag of een separaat plan betreft). Dit evaluatieverslag/nazorgplan wordt opgenomen in het V&G-dossier voor toekomstige werkzaamheden. Bij een sanering die is uitgevoerd volgens het Besluit uniforme saneringen, zijn indien van toepassing de nazorgmaatregelen in het evaluatieverslag beschreven. Vaak betreft dit het instandhouden van de aangebrachte isolatielaag, bijvoorbeeld een leeflaag. De resultaten van het evaluatieverslag moeten worden opgenomen in het V&G-dossier voor toekomstige werkzaamheden. Vervolgactiviteiten, zoals het aanbrengen van fundering of bronnering, moeten worden gezien als een nieuw initiatief. In dat geval worden de processtappen vanaf hoofdstuk 2 van deze richtlijn opnieuw doorlopen.