====== 9 Arbeidshygiënische (lucht)kwaliteitsmetingen ====== ===== 9.1 Inleiding ===== Het uitvoeren van metingen geeft zowel vooraf als gedurende het werk informatie over de aanwezige emissie van giftige stoffen. Verder kunnen metingen gebruikt worden om vast te stellen dat de genomen beheersmaatregelen effectief zijn. Binnen deze module worden de meest gebruikte soorten metingen beschreven, alsmede welke aandachtspunten er bestaan bij het uitvoeren van metingen. Uitgaande van de aanwezige risico’s is het aan de veiligheidskundige om de vereiste metingen te organiseren. Is er bijvoorbeeld een grote kans op stofvorming, dan kan men middels een bodemvochtmeting vaststellen of de toplaag voldoende vochtig is om stofvorming te voorkomen. Als er een reële kans is op het vrijkomen van gassen en vluchtige dampen, dan kan men metingen uitvoeren om zeker te stellen dat er geen risicovolle situatie ontstaat of aanwezig is. Een dergelijk risico kan ook worden veroorzaakt door de locatie of door (natuurlijke) processen die emissie met zich meebrengen (zoals de vorming van H2S in waterbodems en methaan op stortplaatsen). Op basis van de meetresultaten worden beslissingen genomen over veiligheids- en gezondheidsmaatregelen. De resultaten van de metingen kunnen van invloed zijn op de door de veiligheidskundige vastgestelde oorspronkelijke beheersmaatregelen. Om de juiste beslissingen te kunnen nemen, is het van belang dat de metingen worden uitgevoerd met een gedegen kennis van meetapparatuur en dat een veiligheidskundige interpretatie van de meetresultaten verzekerd is. Verder is een goed inzicht vereist van de mogelijke invloeden op de meting in het veld. Veel metingen worden verricht onder moeilijke omstandigheden of op moeilijk bereikbare plaatsen. Ook kunnen veranderingen heel plotseling optreden. Uit de metingen kan blijken dat het door de veiligheidskundige beschreven maatregelenpakket moet worden aangepast. Bij het versoepelen of verzwaren van het maatregelenpakket moet altijd de betreffende veiligheidskundige worden geraadpleegd en de wijziging worden bekrachtigd. ===== 9.2 Meetstrategie ===== ==== 9.2.1 Meteorologische aspecten ==== Bij het uitvoeren van metingen van de concentratie(s) van een verontreinigende stof in de lucht tijdens werkzaamheden in en met verontreinigde bodem of baggerspecie spelen de weersomstandigheden een belangrijke rol. Het is daarom noodzakelijk om altijd de volgende gegevens te verzamelen en deze in het arbotechnisch logboek te vermelden: * temperatuur van de buitenlucht; * relatieve luchtvochtigheid; * windsnelheid en windrichting; * neerslag; * weertype. ==== 9.2.2 Luchtconcentratiemetingen ==== Er zijn vier typen metingen te onderscheiden, te weten: * metingen aan de bron; * metingen rondom de bron; * metingen aan de grens van de werklocatie; * metingen op de mens (ademzone). Deze vier typen metingen dienen ook vanuit deze volgorde toegepast te worden om de eventuele aanwezigheid van gevaarlijke stoffen vast te stellen. **Metingen aan de bron** Bij metingen aan de bron (ontgravingfront, emissievlak, et cetera) gaat het om het vaststellen van de mate van mogelijke blootstelling aan toxische stoffen en explosieve damp/luchtmengsels. Het betreft vaak emissiewaarden van een grote diversiteit aan stoffen. De meest toxische stof en het bijbehorend effect van die stof zijn dan bepalend voor de te treffen maatregelen. Voor toxische stoffen gelden grenswaarden. De overheid heeft bindende limieten vastgesteld voor de concentraties van schadelijke stoffen op de werkplek. Dit zijn de zogenoemde publieke grenswaarden. De overheid heeft deze grenswaarden vastgesteld voor stoffen die een grote kans op gezondheidsschade geven. Een overzicht van de actuele grenswaarden is te vinden op de website van de Sociaal-Economische Raad (SER). De grenswaarden worden deels gebruikt voor het vaststellen van de beheersmaatregelen. Voor alle niet-vluchtige stoffen wordt uitgegaan van de SRCarbo; voor vluchtige stoffen wordt uitgegaan van de Tussenwaarde en Interventiewaarde (zie Module 3). **Metingen rondom de bron** Bij metingen rondom de emissiebron, op de scheiding van de verontreinigde zone, gaat het om het vaststellen van het invloedsgebied van de emissiebron. Aan de hand van de meetresultaten kan worden bepaald of de zonering gehandhaafd kan blijven of verlegd moet worden. Het betreft hier vaak lagere emissiewaarden dan bij de emissiebron. In het algemeen is hier niet het toxische effect van de stof, maar de geurhinder bepalend voor eventueel te treffen aanvullende maatregelen om hinder te voorkomen. **Metingen aan de grens van de werklocatie** Metingen aan de grens van de werklocatie dienen om vast te stellen of emissie aanwezig is en of deze hinder voor de omgeving kan opleveren. Ook in dit geval speelt geurhinder een grote rol. In uitzonderlijke gevallen zijn emissies zo hoog dat direct maatregelen getroffen moeten worden om de hinder voor de omgeving te voorkomen of beperken. Met een deskundige partij, bijvoorbeeld de GGD, kan overlegd worden over het uitvoeren van aparte metingen rondom de werklocatie of in de nabijheid van omliggende bebouwing; aldus kan de omgevingsveiligheid worden bewaakt. De maatregelen worden vastgelegd in het omgevingsplan of bouwveiligheidsplan. Het is in het belang van de Opdrachtgever dat de noodzaak om metingen te verrichten in de bestekfase wordt beschreven in het V&G-plan. In de uitvoeringsfase schrijft de betrokken veiligheidskundige maatregelen voor om de uitdamping van stoffen tijdens de uitvoering te beperken. Hij legt het meetregime vast in het V&G-plan. Bij werkzaamheden in de veiligheidsklassen ‘Rood vluchtig’ en ‘Zwart vluchtig’ dient de R-DLP de (lucht)metingen uit te voeren. Binnen het R-DLP-examen wordt het onderwerp ‘gasmeten’ separaat geëxamineerd; zie Module 5. De luchtkwaliteitsmetingen mogen ook worden uitgevoerd door een andere persoon dan de R-DLP, mits deze medewerker medisch is gekeurd voor de betreffende veiligheidsklasse en zijn deskundigheid op het onderwerp ‘gasmeten’ aantoonbaar is (zie bijvoorbeeld de SSVV-opleidingengids voor passende opleidingen gasmeten). De beoordeling van de competenties van de medewerker is aan de veiligheidskundige. Afhankelijk van de vastgestelde veiligheidsklasse stelt de betrokken veiligheidskundige een meetstrategie op. Het meten van vluchtige stoffen is alleen van toepassing bij de veiligheidsklassen ‘vluchtig’. Bij de veiligheidsklasse ‘Oranje vluchtig’ zijn de metingen optioneel (tenzij er sprake is van een opschaling naar veiligheidsklasse ‘Rood vluchtig’ door niet voorziene verontreinigingen). De frequentie en de locaties van de metingen worden vooraf bepaald door de verantwoordelijke veiligheidskundige (zie Module 5). Als de metingen worden verricht op het moment dat de sterkst verontreinigde bodem of baggerspecie wordt geroerd (en dus de kans op het vrijkomen van voor de gezondheid schadelijke stoffen het grootst is), kan een goed beeld worden verkregen van het blootstellingsrisico. Als in dat geval de vooraf vastgestelde actiewaarden (zie V&G-plan) niet worden overschreden, is de kans gering dat deze tijdens het verdere verloop van het werk alsnog worden overschreden. In de praktijk blijkt echter dat niet altijd begonnen wordt met de sterkst verontreinigde locatie. In dat geval dient de vooraf opgestelde meetstrategie hierop te zijn afgestemd. De kans dat er onder bepaalde omstandigheden toch overschrijdingen van actiewaarden zullen voorkomen, blijft immers aanwezig. Vanaf de veiligheidsklasse ‘Rood vluchtig’ moet de veiligheidskundige (van de aannemer, na gunning) van tevoren bepalen of een continue meting van (mogelijk) vrijkomende gezondheidsschadelijke stoffen moet plaatsvinden. Indien er sprake is van brandbare vluchtige componenten, moet zowel het mogelijke ontstaan van een explosief mengsel worden gemeten, als de concentratie van in de lucht aanwezige vluchtige componenten die een gezondheidsrisico kunnen veroorzaken. Aan het eind van deze module is een overzicht opgenomen van de minimaal te volgen meetstrategieën bij de verschillende veiligheidsklassen (tabel M9-1). **Metingen op de mens** In aanvulling op de in tabel M9.1 genoemde meetmethoden kan altijd personal sampling worden toegepast. Wanneer en hoe vaak dit moet gebeuren, moet worden beoordeeld door de veiligheidskundige, eventueel in overleg met een keuringsarts. De veiligheidskundige bepaalt welke maatregelen worden getroffen naar aanleiding van de gemeten waarden, met name bij overschrijding van de actiewaarde. Als de veiligheidskundige niet in staat is de blootstelling goed te beoordelen, kan hierbij een arbeidshygiënist worden ingeschakeld. ==== 9.2.3 Bodemvochtmetingen ==== Als bij het verwijderen van verontreinigde bodem of baggerspecie stofvorming kan optreden die leidt tot een verhoogd risico, worden bodemvochtmetingen verricht. Als hieruit blijkt dat het vochtgehalte onder de 10% ligt/komt en/of er sprake van visuele stofvorming, dan moet men de veiligheidskundige raadplegen. Hierbij dient men er rekening mee te houden dat alleen de vochtigheid van de bodem van toplaag, graaffront en depot wordt gemeten. De lengte van de pennen is tevens bepalend voor de effectiviteit en bruikbaarheid van de metingen. Het meetinstrument bestaat namelijk uit een aantal pennen die in de grond worden gedrukt, het apparaat meet o.a. de weerstand tussen de pennen e.d.. Hoe langer de pennen, des te dieper kan men meten en bestaat er meer inzicht in de daadwerkelijke bodemvochtigheid. Als het hele korte pennen zijn, dan wordt alleen de toplaag gemeten. Als alleen de toplaag vochtig is, maar daaronder niet, neemt de kans op stofvorming bij grondroerende handelingen toe. Uitsluitend het bemeten van de bodem op vochtgehalte biedt geen garantie voor het voorkomen van stofvorming; daarom dient men de bodem ook altijd visueel te onderzoeken. De resultaten van de waarnemingen moeten worden geregistreerd in het logboek. Visuele stofvorming en het indrogen van bodem of baggerspecie moeten worden voorkomen. De betekenis van bodemvochtmetingen is overigens indicatief. Als een meting uitwijst dat het vochtgehalte < 10% is, maar er is geen sprake van stofvorming, dan is er geen directe motivatie om het werk te staken. Het is dan aan de veiligheidskundige om in te schatten of en zo ja wanneer de mate van stofvorming te hoog zal worden, of wanneer door het indrogen van bodem of baggerspecie het eventuele risico van respirabel stof te groot wordt. Ingeval van asbest, waarbij de bodemvochtigheid minimaal 10% moet bedragen, moet men goed rekening houden met het interval van meten. Indien bij het verwijderen van asbest een concentratie bodemvocht wordt gemeten < 10%, moet het werk gestaakt worden om de door de veiligheidskundige vastgestelde maatregelen te nemen. Bij bodem of baggerspecie die is verzadigd met water zijn bodemvochtmetingen overbodig. Dit geldt ook als het regent. ===== 9.3 Bepalen gezondheidskundige grenswaarden ===== De overheid heeft bindende limieten vastgesteld voor de concentratie van schadelijke stoffen op de werkplek. Dit zijn de zogenoemde publieke grenswaarden. Deze waarden worden standaard gegeven in milligram per kubieke meter (mg/m3). Veel meetapparatuur meet waarden echter in ppm (‘parts per million’, oftewel: delen per miljoen). Ook in het buitenland worden vaak grenswaarden in ppm gehanteerd. Om te bereiken dat de juiste grenswaarde wordt gehanteerd, is het van belang om bij het meten met meters die in ppm uitlezen, de grenswaarde van mg/m3 om te rekenen naar ppm. Dit kan met behulp van de volgende formule: Grenswaarde (in ppm) = Grenswaarde (in mg/m3) × 24 / M Hierin is M de molecuulmassa van de betreffende stof. Deze is te vinden in de chemiekaarten. Hierbij wordt uitgegaan van een temperatuur van 20°C en een luchtdruk van 1013 mBar. Omgekeerd is het van belang om de gemeten waarde in ppm te kunnen vergelijken met de grenswaarde in mg/m3. Hiervoor wordt de volgende formule gehanteerd: Grenswaarde (in mg/m3) = Grenswaarde (in ppm) × M /24 ---- Rekenvoorbeeld Voor benzeen geldt een grenswaarde van 0,7 mg/m3. De relatieve molecuulmassa van benzeen is 78,1. De grenswaarde van benzeen in ppm is dan: Grenswaarde in ppm = (0,7 × 24) / 78,1 = 0,215 (afgerond 0,2) ---- ===== Beschikbare meetapparatuur ===== Bij het werken in of met verontreinigde bodem of baggerspecie kunnen, afhankelijk van de gegevens die moeten worden verzameld over de kwaliteit van de lucht, de hierna besproken meetmiddelen worden gebruikt. De gewenste aanwezigheid op de projectlocatie van de hieronder opgenomen meetapparatuur wordt bepaald door de betrokken veiligheidskundige. In overleg met de veiligheidskundige kunnen ook andere dan de hieronder genoemde meetapparaten worden ingezet, mits deze geschikt zijn voor de desbetreffende situatie. **Totaalkoolwaterstofmeter (CH-meter)** Een totaalkoolwaterstofmeter is een meetapparaat dat de totale hoeveelheid aanwezige koolwaterstoffen in de lucht meet. De gemeten waarde is direct uitleesbaar op het apparaat en geeft een nauwkeurigheid van 1 decimaal (afhankelijk van het apparaat kan dit in ppm, mg/m3 of µmol/mol). De meter moet zijn uitgerust met een akoestisch en een optisch signaal en een datalogsysteem. Een beperking van de koolwaterstofmeter is dat er niet stofspecifiek kan worden gemeten. Het apparaat geeft slechts aan dat er stoffen aanwezig zijn die zijn samengesteld uit de elementen C (koolstof) en H (waterstof) (vandaar de benaming CH-meter). Om welke stoffen het precies gaat, is onbekend. **PID-meter (Photo Ionisatie Detector)** De PID-meter kent specifieke aandachtspunten. Het principe van de PID-meter is dat het te meten gas wordt blootgesteld aan energetische fotonen. De moleculen in het gas verliezen door deze blootstelling tijdelijk een elektron, waardoor positief geladen ionen worden gevormd. Het gas wordt hierdoor elektrisch geladen. Deze stroom wordt gemeten. Hoe groter de concentratie van het gas, des te groter is de elektrische stroom. {{crow400:p400_1.0-enkelvoudige-pid-meter-met-0_1ppm-resolutie.jpg?400|}} Figuur 9-1. Enkelvoudige PID-meter Het aanstralen van het gas om dit effect te bereiken geschiedt middels een lamp. Er zijn drie gangbare typen lampen, namelijk van 9,8 eV, 10,6 eV en 11,7 eV. Om een gas effectief te meten, moet men beschikken over een PID-meter met een lamp die een hogere ionisatiepotentiaal heeft dan het te meten gas. Als niet de juiste lamp wordt gebruikt, wordt het betreffende gas niet gemeten. Zoals vermeld bedraagt de hoogste potentiaal onder de gangbare lampen 11,7 eV. Omdat de potentiaal van koolmonoxide, waterstof en zuurstof hoger ligt, zullen deze stoffen met deze lamp niet worden waargenomen. De PID-meter heeft een correctiefactor per type lamp en type stof. De R-DLP of de betrokken veiligheidskundige moet deze correcties kunnen uitvoeren aan de hand van de door de leverancier geleverde tabellen. In enkele gevallen kan een PID-meter gebruikt worden voor de verificatie van een specifieke stof. Een voorbeeld hiervan betreft benzeen. Op een locatie waar alleen benzeen is aangetroffen, kan de PID-meter worden ingesteld op de RF-correctiefactor van benzeen. Het enige risico is dat er toch meer vluchtige componenten aanwezig zijn; in dat geval zal het alarm afgaan, omdat de PID-meter ‘geen onderscheid ziet’. Om de eventueel aanwezige vluchtige componenten toch te kunnen beheersen, kan er een voorzetbuisje worden geplaatst dat alle koolwaterstoffen tegenhoudt, behalve benzeen. Op deze wijze wordt de PID-meter een benzeenmeter. Om exact te weten om welke koolwaterstoffen het gaat, moet vervolgens altijd specifiek worden gemeten. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van gasdetectiebuisjes of CMS-chips (Chip Measurement System-chips). Hierbij moet wel worden bedacht dat een gasdetectiebuisje of CMS-chip kruisgevoelig kan zijn voor andere stoffen. {{crow400:p400_7.5-benzeenspecifieke-pid-meter_1_.jpg?400|}} Figuur 9-2. Benzeenspecifieke PID-meter Als een bodem of baggerspecie vluchtige stoffen bevat en de concentratie van deze stoffen in de lucht zal naar verwachting boven de grenswaarde uitkomen, dan moet worden overwogen om te gaan werken met apparatuur die door middel van aflezing op afstand een continu beeld kan geven van de concentraties stoffen in de lucht. In veel gevallen worden dan op van tevoren vastgestelde plaatsen sensoren geplaatst; bijvoorbeeld op meetpalen of op de giek van materieel. Ook kunnen alarmwaarden worden ingesteld; als deze worden overschreden, wordt bijvoorbeeld een bericht verstuurd naar de R-DLP of veiligheidskundige, zodat deze direct passende maatregelen kan treffen. Gasdetectiebuisjes Gasdetectiebuisjes bevatten een reagens (een stof die reageert op de te onderzoeken stof) dat van kleur verandert zodra het in aanraking komt met de te onderzoeken (verontreinigende) stof. Het reagens is stofspecifiek, wat wil zeggen dat het slechts reageert op één stof of groep van stoffen met gelijke eigenschappen. Er zijn veel verschillende buisjes op de markt; voor een specifieke meting moet hieruit de juiste keuze worden gemaakt. Let op: bij gebruik van gasdetectiebuisjes moet men rekening houden met mogelijke kruisgevoeligheid ten aanzien van verschillende stoffen. {{crow400:p400_5.9-meetbuisjespomp-met-meetbuisjes.jpg?400|}} Figuur 9-3. Meetbuisjespomp Metingen met gasdetectiebuisjes hebben als voordeel dat zij snel resultaten opleveren. Nadelen zijn: * De meetafwijkingen zijn vrij groot (rond de 15%). * De meetwaarden kunnen worden beïnvloed door het voorkomen van soortgelijke stoffen (kruisgevoeligheid). * De buisjes hebben veelal een beperkte range qua concentratie. * De buisjes behoren na gebruik tot het klein chemisch afval. **Explosiegevaar/zuurstofmeter** De explosiegevaar/zuurstofmeter (Ex/Ox) is het meest gebruikte apparaat om de concentratie aan brandbare gassen te meten. De explosiegevaar/zuurstofmeter verbrandt de gassen die worden aangezogen. De energie die daarbij vrijkomt, wordt gemeten. Deze energie is evenredig met de gasconcentratie. Bij overschrijding van de ingestelde waarde van 10% van de onderste explosiegrens of bij een lagere zuurstofconcentratie dan gewenst, wordt een waarschuwingssignaal gegeven. In veel gevallen wordt het brandbaar gas gemeten op basis van een CH4 meetkop. Dit meetinstrument kan daarom ook worden gebruikt bij het vrijkomen van het in de waterbodem van nature aanwezige gas methaan (CH4). De explosiegevaar/zuurstofmeter heeft afwijkingen per type stof. De R-DLP of betrokken veiligheidskundige moet de desbetreffende correcties kunnen uitvoeren aan de hand van de door de leverancier geleverde tabellen. {{crow400:p400_4.2-multigasmeter-met-pid-0_1ppm-resolutie.jpg?400|}} Figuur 9-4. Multigasmeter met PID **Stofmeter** Een stofmeter kan een microprocessor-gestuurde digitale stofmeter zijn op basis van strooilichtmeting. Voor het meten van de stofconcentratie wordt een infrarood signaal uitgezonden in de meetkamer. Het daar aanwezige stof buigt de infraroodstralen af. De hoeveelheid infrarood licht die door het aanwezige stof van 8 µm of kleiner wordt afgebogen, wordt uitgedrukt in een strooilichtintensiteitswaarde. Deze is direct proportioneel met de stofconcentratie. Ook een analoge stofmeter mag worden toegepast. **Badges en samplers** Badges bevatten een adsorptiemiddel. Dit middel adsorbeert de verontreiniging waaraan de drager van de badge wordt blootgesteld. Door analyse in het laboratorium kan de concentratie van de verontreiniging in het adsorptiemiddel worden vastgesteld. Deze concentratie kan worden teruggerekend naar een gemiddelde blootstelling van de drager en om achteraf vast te stellen of de beheersmaatregelen afdoende zijn geweest. Een badge kan eventueel ook worden toegepast op de grenzen van de projectlocatie, als indicatieve omgevingsluchtmeting om gedurende het project de emissie naar de omgeving te monitoren. {{crow400:p132_modules_7_4e.jpg?400|}} Low volume samplers worden meestal gebruikt in combinatie met adsorptiebuisjes (met bijvoorbeeld actieve kool, silicagel of specifieke geïmpregneerde media). Low volume samplers vereisen meestal een lage flow (< 200 ml/minuut). High volume samplers worden niet gebruikt in combinatie met een adsorptiemiddel om de verontreinigende stof te adsorberen, maar in combinatie met stoffilters. De stoffilters worden na gebruik gewogen en (eventueel) geanalyseerd. Deze methode heeft als voordeel dat zij nauwkeurige meetresultaten oplevert. Nadelen zijn dat de meetresultaten niet direct beschikbaar zijn en dat de resultaten geen informatie geven over een eventuele piekconcentratie waaraan de drager is blootgesteld. **Bodemvochtmeter** De bodemvochtmeter bestaat uit een kastje en een meetprobe (stalen pen(nen)). Deze meetprobe wordt in de bodem (toplaag) geplaatst, waarna met behulp van elektriciteit de weerstand van deze toplaag wordt gemeten. De weerstand is een maat voor het vochtgehalte van de toplaag van de bodem. Dit vochtgehalte kan worden uitgelezen in het scherm van de meter. Het voordeel van deze meter is de makkelijke toepasbaarheid. Het nadeel is dat slechts over een beperkte laagdikte wordt gemeten (de bovenste 10 à 20 cm), terwijl bij ontgraving vaak grotere diepten in één keer worden weggenomen. {{crow400:p400_6.2-bodemvochtmeter.jpg?400|}} Figuur 9-5. Bodemvochtmeter **HCN-meter** Een HCN-meter meet de concentratie HCN (waterstofcyanide of blauwzuurgas) in de lucht. HCN is net als H2S een zeer giftig gas. Blauwzuurgas kan ook via de huid in het bloed worden opgenomen. Een HCN-meting kan verstoord raken indien ook H2S aanwezig is; de meter kan dan uitslaan terwijl er geen HCN aanwezig is. Let op: bij gebruik van een HCN-meter moet men rekening houden met mogelijke kruisgevoeligheid ten aanzien van verschillende stoffen. **H2S-meter** Een H2S-meter meet de concentratie zwavelwaterstof in de lucht door middel van een sensor. Zwavelwaterstof komt veel voor bij werk aan bestaande rioolstelsels en baggerwerkzaamheden. Bij dergelijke werkzaamheden is het noodzakelijk de concentratie H2S te meten als er weinig tot geen luchtverplaatsing plaatsvindt, zoals bij windstil weer of als de locatie is omgeven door hoge obstakels. Meten is ook noodzakelijk als het een ‘H2S risicogebied’ betreft. Er moet continu gemeten worden. Als de concentratie H2S in de lucht boven een van tevoren bepaalde waarde komt, geeft de meter een akoestisch en optisch alarmsignaal (piepen en knipperen).). Let op: bij gebruik van een H2S-meter moet men rekening houden met mogelijke kruisgevoeligheid ten aanzien van verschillende stoffen. **CO-meter** Soms ontstaat door een activiteit een verhoogd gehalte CO (koolmonoxide) in de lucht. In het bijzonder in beperkt geventileerde en/of besloten ruimten waar met verbrandingsmotoren wordt gewerkt, kunnen levensgevaarlijke concentraties CO ontstaan. Het CO-gehalte kan worden gemeten met een CO-sensor. Veelal maakt zo’n sensor deel uit van een zogenoemde combinatiemeter, zoals een 5-gasdetectiemeter. Als de CO-concentratie boven een van tevoren vastgestelde waarde uitkomt, geeft de meter een akoestisch en optisch alarmsignaal (pieken en knipperen). Overigens zullen in beperkt geventileerde en/of besloten ruimten ook andere metingen moeten worden verricht met betrekking tot de veiligheid en de atmosferische omstandigheden. Let op: bij gebruik van een CO-meter moet men rekening houden met mogelijke kruisgevoeligheid ten aanzien van verschillende stoffen. {{crow400:p400_3.3-persoonlijke-en-gepompte-multigasmeter.jpg?400|}} Figuur 9-6. Multigasmeter (CO, O2, LEL) **XRF-meter** XRF oftewel röntgenfluorescentiespectrometrie is een techniek die met name geschikt is om gehalten (zware) metalen te meten met een aanzienlijke nauwkeurigheid. Aangezien de analyse direct kan worden uitgevoerd op de bodem of baggerspecie, kan er snel worden geschakeld indien verhoogde concentraties worden aangetroffen. Maar ook voor met name de uitkeuring kan er snel een resultaat beschikbaar zijn, waarmee dan aanzienlijke tijdwinst wordt behaald. Bij de interpretatie van de meetresultaten moet men wel bedacht zijn op beperkingen die kunnen leiden tot onjuiste resultaten. Zo kan bij immobilisatie een extreem hoog gehalte zink worden gemeten zonder dat er sprake is van bodem. Mede hierom zijn XRF-metingen niet geschikt om veiligheidsmaatregelen af te schalen. Verder zijn aan het gebruik van de XRF-meter risico’s verbonden; lees hiervoor de gebruikshandleiding van de leverancier. Het gebruik van een XRF-meter is gebonden aan de verplichtingen vanuit de Kernenergiewet. **Methaangasmeter** Vaak wordt methaan alleen gemeten met een explosiemeter, omdat het lage vlampunt methaan tot een explosiegevaarlijke stof maakt. Het is echter ook mogelijk methaan te meten met een stofspecifiek meetmiddel. Hiervoor zijn diverse typen meters beschikbaar. Om risico’s te beperken is het wenselijk dat bij dergelijke metingen gebruik wordt gemaakt van apparatuur die middels diodelaser-absorptiespectroscopie over een afstand kan meten. **Kwikmeter** De kwikmeter kan ingezet worden bij aanwezigheid van metallische kwik, indien het risico bestaat dat kwikdampen vrijkomen in bijvoorbeeld een beperkt geventileerde ruimte. De lucht waarin zich mogelijk de kwikdamp bevindt, wordt opgezogen en over een optische cel geleid. Met deze laatste kan de aanwezige kwikconcentratie in de lucht worden vastgesteld. Zoals elk meetmiddel kan ook de kwikmeter gevoelig zijn voor kruiscontaminatie. **Combinatiemeters** In veel gevallen wordt gebruikgemaakt van meters die kunnen worden uitgerust met verschillende sensoren. Afhankelijk van de fabrikant zijn bepaalde combinaties van sensoren (meetcellen) wel of niet mogelijk. Als een alarmsignaal wordt gegeven, moet op de meter duidelijk uit te lezen zijn voor welke stof het alarm geldt. Alleen dan kan de juiste actie worden ondernomen. ===== 9.5 Onderhoud meetapparatuur ===== Er moet blindelings kunnen worden vertrouwd op de waarden die een meetmiddel weergeeft. Goed onderhoud, een juiste ijking (waaronder ook schoneluchtkalibratie) en zorgvuldige controle voor aanvang van de metingen zijn dan ook een eerste vereiste. Daarnaast is een juiste uitvoering van de metingen zelf noodzakelijk. Als een meetcel bijvoorbeeld water opzuigt, gaat deze in de meeste gevallen kapot of zijn de uitgelezen waarden niet meer betrouwbaar. Ook het blootstellen van een meetcel aan zeer hoge concentraties van een stof kan er soms toe leiden dat de meetcel kapot gaat of dat onder bepaalde omstandigheden verkeerde waarden worden aangewezen. Kennis van de meter en de factoren die metingen kunnen beïnvloeden, kunnen van levensbelang zijn. Meetapparatuur moet worden gekalibreerd volgens de voorschriften van de fabrikant. Bij twijfel over de gemeten waarden moet het apparaat opnieuw worden gekalibreerd. Ook nadat een grote piekbelasting heeft plaatsgevonden of als de sensoren mogelijk (mechanisch) zijn beschadigd, moet het apparaat worden gekalibreerd. ===== 9.6 Meetplaatsen ===== Bij metingen in de open lucht moet de meetplaats (dit is vaak het graaffront, op de giek van de kraan en in de put bij de eerst uitname van grond) zo veel mogelijk worden benaderd met de wind in de rug (om te voorkomen dat men persoonlijk wordt bloot gesteld aan eventuele emissie). Tijdens het benaderen van de emissiebron moet met meten worden begonnen, waarbij de plaats van de meting representatief moet zijn. Meetwaarden moeten worden geverifieerd door het uitvoeren van een tweede of derde meting. Bij grote onderlinge afwijkingen van de meetresultaten moet de meting worden herhaald. Het heeft de voorkeur om eerst nabij de emissiebron te meten vanuit de worst case-gedachte. In ieder geval moet de laatste meting plaatsvinden op de plek waar de werkzaamheden daadwerkelijk worden uitgevoerd. In ontgravingen moet altijd op verschillende momenten van boven naar beneden worden gemeten. Als werkzaamheden in gebukte houding worden uitgevoerd, moet laag bij de bodem of baggerspecie gemeten worden. Bij het uitvoeren van de luchtkwaliteitsmetingen moeten de veiligheid en gezondheid van de medewerker gewaarborgd blijven. Mogelijk is gebruik van aanvullende PBM noodzakelijk. Door het gebruik van vooraf geplaatste snuffelpalen kan men metingen verrichten zonder dat medewerkers hierbij een aanvullend risico lopen. ===== Ruimten met een verhoogd risico ===== Bodemroerende activiteiten kunnen leiden tot een vergroot gevaar voor verstikking, bedwelming, vergiftiging, brand of explosie. Dit geldt des te sterker als de activiteiten plaatsvinden in zogeheten beperkt geventileerde ruimten of besloten ruimten. Hierbij moet niet alleen worden gedacht aan bouwkundige constructies die nagenoeg dicht zijn; er zijn veel meer ‘beperkt geventileerde ruimten of besloten ruimten’ waarin verhoogde risico’s gelden. Voorbeelden van slecht geventileerde ruimten zijn niet alleen kelders en rioolstelsels, maar ook putten en sleuven. Veelvoorkomende kenmerken van ruimten met een verhoogd risico zijn dat zij een geringe omvang hebben, moeilijk te betreden zijn, slecht geventileerd zijn en beschikken over weinig vluchtwegen. In veel gevallen is er onvoldoende zuurstof en/of zijn er gevaarlijke stoffen aanwezig die bij de werkzaamheden zijn vrijgekomen. Omdat er bij het werken in dergelijke ruimten sprake is of kan zijn van een verhoogd risico, dient dit als zodanig in het V&G-plan te zijn opgenomen. Daarbij worden ook de bijbehorende beheersmaatregelen vermeld, waaronder ventilatie en metingen naar concentraties zuurstof, giftige stoffen en brandbare of explosieve gassen. Het is gebruikelijk om bij dergelijke bouwkundige ruimten een mangatwacht in te stellen. De noodzaak hiertoe wordt bepaald door de veiligheidskundige. Bij het opstellen van de meetstrategie ten aanzien van vluchtige stoffen zal de veiligheidskundige zich moeten laten leiden qua intensiteit (interval) en locaties door de te verwachten blootstelling in relatie met de middels van Ingen berekende Cg en de grenswaarde van de stof. ^Tabel M9-1. Advies voor de meetstrategie.^^^^^^| |**Veiligheids- \\ klasse** |**Niet- \\ vluchtig** |**Vluchtig** |**Asbest** |**Stof- en aerosolvorming** |**H2 S en CH4 ** |**Ruimten met een vergroot risico** | |//Oranje// |N.v.t.|Optioneel: Meting bij waarneming van (ongebruikelijke) geuren. \\ Totaalkoolwaterstofmeter of specifieke gasdetectie.|N.v.t.|Meting optioneel ingeval van stofdeeltjes en/of aerosolvorming. \\ \\ Stofmeter / High volume sampler met specifieke stofnemingskoppen.|Bij bewerkingen van de waterbodem, meten bij windstil weer, bij locaties die zijn omgeven door hoge obstakels en verdachte locaties. \\ \\ Specifiek meten met H2 S-meter en CH4-meter.|Meten voor aanvang werkzaamheden en continu tijdens toegang \\ \\ Ex/Ox/Tox en CO-meters.| |//Rood// |Bodemvochtmeter (min. 10% bodemvocht)|Bodemvochtmeter (min. 10% bodemvocht) \\ \\ Meten ongewenste gassen of dampen van de stoffen waarvan de hoogste concentraties kunnen worden verwacht. \\ \\ Continue meting in cabines van materieel dat permanent in de verontreinigde zone aanwezig is. \\ \\ 4x per werkdag meten op plaatsen waar blootstelling mogelijk is. Als de concentratie van de vluchtige verontreiniging hoger is dan 1/5 van de grenswaarde (actiewaarde) en/of bij waarneming van (ongebruikelijke) geuren metingen uitvoeren. \\ \\ Wanneer op diepte wordt gewerkt (dieper dan 1,5m – mv), tevens iedere keer bij aanvang van de werkzaamheden en bij intensieve werkzaamheden ter controle. Regelmatig stoffen meten die uit de bodem of baggerspecie vrijkomen. \\ \\ Continu meten bij aanwezigheid van vluchtige en brandbare stoffen. \\ Bij 10% LEL werk stoppen en verontreinigde zone verlaten en veiligheidskundige inlichten.|N.v.t.| ::: | ::: | ::: | |//Zwart// |Bodemvochtmeter (min. 10% bodemvocht)|Bodemvochtmeter (min. 10% bodemvocht) \\ \\ Meten met continu registrerende meetapparatuur. Als concentratie hoger is dan 1/5 van de grenswaarde, in overleg met HVK/AH meten op grensgebied werklocatie (buiten de verontreinigde zone). \\ \\ Continue meting in cabines van materieel dat permanent in de verontreinigde zone aanwezig is. \\ \\ Als in het grensgebied van de werklocatie de concentratie van de vluchtige verontreiniging hoger is dan 1/5 van de grenswaarde (actiewaarde), in overleg met HVK/AH aanvullende maatregelen treffen en de GGD inlichten. \\ \\ Totaalkoolwaterstofmeter zoals ‘CH’ of ‘PID’ of specifieke gasdetectie. \\ \\ Personal sampling (badges), low volume samplers, high volume samplers in overleg met veiligheidskundige en keuringsarts. \\ \\ Continu meten bij aanwezigheid van vluchtige en brandbare stoffen met PGS-brandklasse 1 en 2. \\ Bij 10% LEL werk stoppen en verontreinigde zone verlaten en veiligheidskundige inlichten. \\ Ex/Ox meter.|Bodemvochtmeter (min. 10% bodemvocht)| | | | | ||||||| |NB: De daadwerkelijke strategie wordt bepaald door de veiligheidskundige. Afwijken van onderstaand advies is mogelijk mits de veiligheidskundige de afwijkingen afdoende onderbouwt. De veiligheidskundige bepaalt wat er moet gemeten worden, de aannemer kan aangeven welke apparatuur hij gebruikt, waarna de veiligheidskundige weer kan kijken of dit afdoende is en met welke interval of waar moet worden gemeten.|||||||