Asbest in bodem

Algemeen
Locatie-inspecties en bodemonderzoek naar verontreinigingen met asbest worden uitgevoerd volgens VKB2018 door of onder leiding van een gekwalificeerd monsternemer (zie lijst ALG-L-06). Afwijkingen van het protocol zijn mogelijk wanneer deze door de projectleider worden goedgekeurd; deze worden te allen tijde vermeld.

Voorbereiding
Alvorens een asbestinspectie wordt uitgevoerd dient altijd een vooronderzoek te worden uitgevoerd. Op basis van het vooronderzoek wordt een inschatting van de risico's opgesteld en worden te nemen veiligheidsmaatregelen vastgesteld. Dit wordt uitgewerkt in een monsternemingsplan (formulier B&B-F-16).

Bij de start van elk onderzoek wordt gecontroleerd of de inschattingen van de risico's en de bijbehorende maatregelen in het monsternemingsplan correct zijn. Wanneer de verwachting is dat meer asbest aanwezig is dan in hetmonsternemingsplan vermeld, dat dient contact opgenomen te worden met de projectleider en zijn afwijkende veiligheidsmaatregelen nodzakelijk (zie werkinstructie B&B-W-11)

Voor aanvang van de bemonstering worden de gegevens uit het projectplan (veelal kopie offerte) gecontroleerd. Het te onderzoeken terreindeel wordt zonodig in het veld uitgezet. Hierbij wordt het locatieformulier (B&B-F-05) en, voor zover noodzakelijk, het locatieschetsformulier (B&B-F-06) ingevuld.

Veldinspectie
Wanneer een onderzoek naar asbest in de bodem wordt voorafgegaan door een locatie-inspectie dan wordt dit in het veldverslag duidelijk vermeld. De inspectie wordt uitgevoerd volgens paragraaf 7.2.3 uit NEN5707 waarbij de locatie in inspectiestroken van maximaal 1,5 meter wordt ingedeeld.
Aangetroffen asbestverdachte materialen worden met behulp van gradaties aangegeven op de tekeningen. Per materiaalsoort wordt een monster genomen wat uniek wordt geidentificeerd en dubbelverpakt wordt aangeleverd naar het laboratorium. Na afloop van de inspectie wordt, eventueel in overleg met de projectleider, bezien of een aanpassing van de egpl

Uitvoering veldwerk
De werkzaamheden ten behoeve van de boorwerkzaamheden worden vastgelegd in het boorstaatformulier (B&B-F-04) of de veldwerkcomputer, Na uitvoering worden de gebruikte formulieren door de veldwerker geparafeerd.

Volgens het eventueel aangepaste onderzoeksplan worden gaten en/of sleuven gegraven. De grond wordt uitgelegd op plastic. Wanneer monstername en onderzoek in het laboratorium noodzakelijk is dan wordt het materiaal gezeefd op 16 mm of geharkt op 20 mm waarbij de grove fractie in het veld geinspecteerd wordt. Per sleuf/gat wordt hierbij per te ondescheiden bodemlaag het gewicht van de asbesthoudende materialen bepaald, ook worden de afmetingen van de sleuven en gaten bepaald. Van de fijne fractie worden monsters genomen (20 x 0,5 kg = 10 kg per sleuf of monsters van 0,5 kg per gat).

Monstercoderingen worden uitgevoerd conform werkinstructie B&B-W-01. Wanneer om bepaalde redenen in overleg met of op aangeven van de projectleider een andere nummering wordt gebruikt dat dient deze eenduidig te worden vastgelegd op het monsternameformulier.