Inhoud

Een eenduidige monstercodering maakt het snel lezen van een rapport makkelijker. De voorkeursnummering is onderstaand uitgewerkt. Hiervan kan worden afgeweken, zolang de monsternummering maar eenduidig blijkt uit het (digitale danwel papieren) projectdossier.

1. Grondmonstercodering bij bodemonderzoek

Bij het eerste bodemonderzoek dat op de locatie wordt uitgevoerd, wordt de onderstaande nummering aangehouden;
De boringen worden logisch genummerd (b.v. van links naar rechts over de locatie of van boven naar beneden; niet alle nummers door elkaar).
1e boring 101 (1e onderzoek, boring 01)
2e boring 102
3e boring 103
enz.

Monstername geschiedt maximaal per 50 cm of per grondsoort afzonderlijk.

Voorbeeld:
Eerste onderzoek- boring 2; van 0-20 cm-mv zand, van 20-80 cm kleigrond, 80-110 cm-mv leem

1e monstercode: 102.1 
2e monstercode: 102.2 
3e monstercode: 102.3

Deze monstercode omschrijvingen worden ook op het boorstatenformulier genoteerd of in de veldwerkcomputer opgenomen.

Bij een eventueel vervolg onderzoek, b.v. nader bodemonderzoek of karteringsonderzoek, wordt onderstaande codering aangehouden:

1e boring (2e onderzoek, boring 01): 201
2e boring (2e onderzoek, boring 02): 202
3e boring (3e onderzoek, boring 03): 303
enz.

Een tweede bemonstering in een bestaande peilbuis houd dezelfde codering maar krijgt als extensie de onderzoeksdatum.

Resumé

1 [onderzoeksnummer] 01 [boringvolgnummer] . 1 [monsternummer] 

Indien reeds door een ander bureau het eerste onderzoek is uitgevoerd en er niet van bovenstaande nummering gebruik is gemaakt, wordt bovenstaande nummering aangehouden. Indien bovenstaande codering is gebruikt bij voorgaande onderzoeken door ander bureaus, wordt het eerst­volgende onderzoeksnummer gebruikt.

Op het boorstatenformulier (formulier AR008) of in de veldwerkcomputer worden per boorpunt alle gevraagde gegevens ingevuld zoals grondsoort, e.d..

2. Grondmonstercodering bij grondwateronderzoek

Het peilbuisfilter dient men het nummer te geven van het boringnummer met voorafgaand de letters PB.

Voorbeeld:
het eerste peilbuisfilter welke in boring 101 is geplaatst krijgt codering PB101-1
het eerste grondwatermonster uit het eerste peilfilter PB 101-1 krijgt codering PB101-1-1
bij een herbemonstering wordt het monsternummer met 1 opgehoogd, dus PB101-1-2

Op het grondwaterformulier (formulier AR012) worden alle gevraagde gegevens ingevuld zoals pH, Ec, temperatuur enz.. Ook wordt de monstercodering en het filternummer vermeld.

3. Monstercodering bij waterbodemonderzoek

Per traject worden monsters gecodeerd.

Voorbeeld:
1e traject; sloot is 450 meter
10 slibmonsters logisch coderen (b.v. van links naar rechts) 101, 102 t/m 110

Op het boorstatenformulier of in de veldwerkcomputer (formulier KG/008) worden alle gevraagde gegevens ingevuld zoals grondsoort, e.d..

4. Monstercodering bij partijkeuringen

Voor monstercodering bij partijkeuringen geldt een voorkeursnummering (dus niet verplicht) M{partij}.{deelpartij}.{A/B/C}

dus bij voorkeur wanneer één partij in twee deelpartijen onderzocht dient te worden:
M1.1.A / M1.1.B
M1.2.A / M1.2.B

Ten aller tijde dienen de correcte monsternummer te worden vermeld op het monsternameformulier

5. Overige monstercoderingen

Bij afwijkende opdrachten wordt door de projectleider aangegeven hoe de monsters genummerd dienen te worden. Hierbij zal een eenduidige nummering bij het veldwerk op papier worden vastgelegd zodat altijd duidelijk is waar welk monster van afkomstig is.