Waterbodemonderzoek

Uitvoer van waterbodemonderzoek vindt plaats volgens de eisen uit BRL2000 volgens het vigerende SIKB-protocol 2003 (ten tijde van opstellen versie 1.0, d.d. 13-02-2008). Het protocol is werkzaam tot het moment van acceptatie van de veldwerkopdracht tot de overdracht van de monsters en veldwerkgegevens.

1. Voorbereiding
Voor aanvang van het onderzoek dient altijd een historisch onderzoek uitgevoerd te zijn (ingevuld formulier B&B-F-17). Voor aanvang van het onderzoek neemt de veldwerker de opdracht door en controleert of deze compleet en duidelijk is. Hierin staan ondermeer het aantal uit te meten raaien en het aantal meetpunten vermeld.

Voor de uitvoer van het onderzoek wordt het standaard monsternamemateriaal (conform protocol 2001) gebruikt. Voor waterbodemonderzoek is aanvullend materiaal over het algemeen noodzakelijk (boot, waadpak etc). Voor aanvang van het onderzoek wordt door de projectleider een lijst opgesteld waarin de belangrijke gegevens en te gebruiken materialen vermeld staan (formulier B&B-F-18). De veldwerker controleert of deze lijst duidelijk en compleet is en of de materialen voldoen aan de gestelde eisen. Bij afwijkingen (bijvoorbeeld wanneer hij/zij niet ervaren is met de materialen) wordt contact opgenomen met de projectleider.

2. Uitvoer veldwerk:
Wanneer de projectleider beoordeeld heeft dat geen KLIC-melding nodig is dan wordt dit gecontroleerd door de veldwerker op locatie. Indien monsterneming op locatie niet mogelijk blijkt te zijn of wanneer de gewenste nauwkeurigheid niet gehaald kan worden wordt contact opgenomen met de projectleider.

Bij de uitvoering van het veldwerk registreerd de veldwerker de gegevens in de boorcomputer danwel op papier. De minimale eisen aan de registratie staan vermeld op pagina 13 van protocol 2003. Bij het vastleggen van de boorprofielen geldt water niet als bodemlaag, de waterstand dient wel te worden vastgelegd in bijvoorbeeld de opmerkingen. De waterstand wordt per afgescheiden terreindeel iedere dag bij start en einde van het onderzoek ingemeten.

Wanneer het grotere waterpartijen betreft waarbij inmeting met een meetwiel niet mogelijk is dan wordt voor de inmeting gebruik gemaakt van een (d)GPS methode volgens de instructies van de projectleider. Op het formulier voor waterbodemonderzoek wordt vastgelegd hoe inmeting heeft plaatsgevonden.

Monsterneming vindt plaats conform de eisen met schone materialen, tevens wordt vastgelegd hoe hoogtebepaling en peilmetingen hebben plaatsgevonden. Het doen van actieve geurwaarneming is niet toegestaan, wanneer passieve waarneming plaatsvindt dan wordt de geur geregistreerd. De geur wordt niet in de laag vermeld maar bij de boring. Wanneer asbestverdachte materialen worden aangetroffen wordt direct contact opgenomen met de projectleider.

De monsters worden gekoeld opgeslagen en zonodig gekoeld vervoerd.