Voordat wordt gestart met werkzaamheden, moet worden vastgesteld of er aanwijzingen zijn dat zich op de werklocatie stoffen bevinden in een concentratie die de veiligheid en gezondheid van werknemers of derden en/of het milieu kunnen schaden. Hiertoe wordt een (voor)onderzoek naar aanwezige verontreinigingen uitgevoerd. Dit onderzoek moet de bodeminformatie opleveren die nodig is om de veiligheids- en arbeidshygiënische risico’s en de eventueel hieruit voortkomende veiligheidsklasse en de van toepassing zijnde milieuwetgeving voor het aspect bodem (saneren, hergebruik, enzovoort) te bepalen. Zie ook Module 1 en Module 3.
Het verzamelen van de benodigde informatie is een verantwoordelijkheid van de Opdrachtgever. Deze kan de Opdrachtnemer verzoeken (een deel van) de onderzoeksinformatie te verzamelen, maar ook in dat geval blijft de Opdrachtgever verantwoordelijk voor het resultaat.
Een onderzoek naar de kwaliteit van de bodem is verplicht. Het kan bestaan uit de volgende onderdelen:
Om het onderzoeksproces eenvoudiger te maken, bevat deze richtlijn:
Om te bepalen of een locatie al of niet verdacht is, moet er een vooronderzoek worden uitgevoerd. De omvang hiervan wordt bepaald door de in NEN 5717 (voor waterbodem) en NEN 5725 (voor landbodem) opgenomen onderzoeksaanleiding.
Figuur 1. Deelschema 2.1 – Vooronderzoek
In alle gevallen geldt een inspanningsverplichting om te onderzoeken of de locatie verdacht is. Voor dit onderzoek kunnen uiteenlopende (digitale) bronnen worden geraadpleegd. Denk bijvoorbeeld aan de bodemkwaliteitskaart (die informatie verschaft over de gebieds- of omgevingskwaliteit) in combinatie met de regionale Nota Bodembeheer. Andere mogelijkheden zijn bronnen over historisch gebruik van de werklocatie en de website www.bodemloket.nl . De onderzoeksinspanning dient uit te wijzen in welke mate blootstelling zal plaatsvinden aan eventuele verontreinigingen in de bodem of baggerspecie. Middels de opgenomen bijlage II is een partij in staat om een globale controle uit te voeren op de volledigheid van het vooronderzoek indien het gaat om tijdelijke uitplaatsing.
De volgende zaken worden onderzocht met gebruikmaking van de aanwezigheid van (digitaal) beschikbare bodeminformatie (de opsomming is indicatief):
Zijn er geen aanwijzingen voor bodembelastende activiteiten, is er geen asbesthoudend materiaal aanwezig en blijkt dat de bodem niet of slechts sporadisch puinhoudend is, dan wordt de aanname ‘niet asbest verdacht’ gesteld. Als er sporadisch asbestverdacht materiaal op de locatie wordt aangetroffen, zonder een duidelijke kern of bron van bodemverontreiniging, is er geen sprake van een asbestverdachte situatie. De onderzoeker motiveert de afstand tot de onderzoekslocatie met het oog op asbestverontreiniging als gevolg van verwaaiing van verweerd asbest.
Figuur 2. Deelschema – Onderzoeksfase – hoofdproces
Uitkomsten
Uit de rapportage van het vooronderzoek conform NEN 5717 / NEN 5725 moet het volgende blijken:
Verder (water)bodemonderzoek kan noodzakelijk zijn indien er sprake is van een vermoeden van een geval van ernstige bodemverontreiniging en/of waterbodemverontreiniging (al dan niet met asbest) én vermoeden is dat de kwaliteit van de locatie niet overeenkomt met de gebiedskwaliteit zoals opgenomen in de bodemkwaliteitskaart. Indien uit het vooronderzoek echter blijkt dat de locatie reeds onderzocht is en dit bodemonderzoek voldoende actueel en representatief is, is verder bodemonderzoek vanzelfsprekend niet noodzakelijk. In dat geval kan het eerdere (water)bodemonderzoek worden gebruikt voor het bepalen van de veiligheidsklasse. Blijkt uit het vooronderzoek echter dat er onvoldoende informatie is om een goede risico-inschatting te maken voor de werkzaamheden op de verdachte locatie dan is verder bodemonderzoek noodzakelijk binnen het traject waar gegraven gaat worden.
| De beoordeling of een locatie reeds voldoende representatief en actueel is onderzocht, is onderdeel van het vooronderzoek en ter beoordeling aan de onderzoeker en kan per situatie verschillen. Zie de hoofdstukken 4 van NEN 5717 en NEN 5725. In de wet- en regelgeving is met uitzondering van het Besluit overige niet meldingsplichtige gevallen (BONG) geen geldigheidstermijn opgenomen. De termijn van 5 jaar die in het BONG staat vermeld, wordt in de praktijk vaak gehanteerd, hoewel decentrale overheden in eigen beleid soms ook andere termijnen aanhouden. De actualiteit is onder meer afhankelijk van wat er in de tussenliggende periode is gebeurd met een locatie en de eventueel aanwezige verontreinigingen (meer of minder mobiel). Voor waterbodem is dit mede afhankelijk van het type watersysteem en de heterogeniteit van de verontreinigingen. Hiervoor wordt verwezen naar NEN 5720, waarin concrete geldigheidstermijnen voor waterbodemonderzoek zijn benoemd. |
Als de locatie onverdacht is op het voorkomen van een bodemverontreiniging of als aangenomen kan worden dat de bodemkwaliteit overeenkomt met de gebiedskwaliteit zoals opgenomen in de bodemkwaliteitskaart (bijvoorbeeld bij het voorkomen van een diffuse verontreiniging in een groter gebied), dan is verder (water)bodemonderzoek niet noodzakelijk. In dat geval van kan de veiligheidsklasse worden bepaald aan de hand van de bodemkwaliteitskaart.


Bodemkwaliteitskaart
Het gebruik van de bodemkwaliteitskaart inclusief de regionale Nota Bodembeheer om een veiligheidsklasse af te leiden is enkel toepasbaar indien een vooronderzoek conform NEN 5725 is uitgevoerd. Daarbij dient men te toetsen of de (verwachte) bodemkwaliteit op de locatie niet afwijkt van de gebiedskwaliteit zoals vastgelegd in een bodemkwaiteitskaart. Voorbeelden van afwijkingen zijn de aanwezighed van puntbronnen. In het geval van de waterbodem geldt dat uit vooronderzoek conform NEN 5717 aangetoond moet worden dat de verwachte kwaliteit op de waterbodem niet afwijkt van de gebiedskwaliteit zoals vastgelegd op een waterbodemkwaliteitskaart. Gebruik van de bodemkwaliteitskaart om de grondroerende handelingen te evalueren tegen de kaders zoals opgenomen in module 3 kan alleen indien deze voor het werkgebied beschikbaar is en de locatie niet uitgesloten is in de bodemkwaliteitskaart.
Op basis van een bruikbare bodemkwaliteitskaart in combinatie met de Nota Bodembeheer kan, aan de hand van de percentielwaarde van minimaal P80 (en indien deze niet beschikbaar is, gebruikmaken van de eerstvolgende hogere P-waarde), ook worden vastgesteld of er een veiligheids-klasse van toepassing is.
De percentielwaarde geeft de mate van betrouwbaarheid aan. Als er geen percentielwaarde P80 of hoger beschikbaar is, kan met P75 worden volstaan. De veiligheidskundige moet de percentielwaarde wel meenemen in zijn overwegingen bij het vaststellen en schriftelijk onderbouwen van de beheersmaatregelen.
Aan de hand van een bodemkwaliteitskaart in combinatie met de Nota Bodembeheer kan worden vastgesteld of een gebied diffuus verontreinigd is met een bepaalde stof. In dat geval moet vervolgens worden bepaald of de bijbehorende waarde in het geval van niet-vluchtige componenten meer bedraagt dan 75% SRC-arbo.
Als de bodemkwaliteitskaart aangeeft dat de generieke bodemkwaliteitsklasse lager dan of gelijk is aan de kwaliteitsklasse wonen, mits onverdacht, mag sowieso worden aangenomen dat er geen veiligheidsklasse van toepassing is (< 75% SRC-arbo).
Het is goed te bedenken dat bodemkwaliteitskaarten soms beperkingen kennen. Zo kan het ontbreken aan informatie over de grondwaterkwaliteit, over vluchtige stoffen en over andere stoffen die niet in de standaard analysepakketten zitten, waaronder asbest. De veiligheidskundige moet bij het inschatten van een blootstellingsrisico deze onzekerheden meenemen in het voorgestelde maatregelenpakket of voorstellen verder bodemonderzoek uit te voeren.
| Het kan voorkomen dat een (eerder uitgevoerd) onderzoek niet geheel volgens de NEN-normen is uitgevoerd, maar dat de aard en samenstelling van de verontreinigingen voldoende bekend zijn. Met de in deze richtlijn opgenomen onderzoeksstrategie (zie deelschema bijlage Ia) kan worden vastgesteld of de onderzoeksresultaten in voldoende mate bruikbaar zijn of dat aanvullend onderzoek nodig is. |
Indien het vooronderzoek te weinig informatie oplevert voor de veiligheidskundige om de veiligheidsklasse vast te kunnen stellen, kan het noodzakelijk zijn om een verkennend bodemonderzoek uit te voeren.
Een verkennend onderzoek (zie ook bijlage Ib) kan worden uitgevoerd volgens NEN 5720 (waterbodem) en NEN 5740 (landbodem). Als uit het vooronderzoek blijkt dat de locatie asbestverdacht is, moet minimaal een verkennend onderzoek naar asbest in de bodem worden uitgevoerd volgens NEN 5707/NEN 5897. Voor waterbodem/baggerspecie dient het asbestonderzoek uitgevoerd te worden volgens NTA 57271). Voor het uitvoeren van het veldwerk bij milieuhygienisch bodemonderzoek is een erkenning volgens BRL 2000 verplicht
Veiligheidsklasse veldwerk
Bij het uitvoeren van milieutechnisch land- en/of waterbodemonderzoek kan nog geen veiligheidsklasse worden bepaald. De aard en de concentraties van de eventuele verontreinigingen moeten immers nog worden vastgesteld. Omdat het bij dit soort onderzoeken vaak gaat om een grote verscheidenheid aan (mogelijke) verontreinigende stoffen, naar zowel plaats, omvang als aard, is het niet goed mogelijk een standaardpakket aan beheersmaatregelen vast te stellen.
Op basis van de bevindingen van het vooronderzoek dient het onderzoeksbureau die maatregelen te nemen die noodzakelijk worden geacht om de veiligheid en gezondheid van de medewerkers te waarborgen. Voor het vaststellen van de vereiste beheersmaatregelen kan gebruik worden gemaakt van de modules 3 en 4. Voor een effectieve uitvoering wordt een project-RI&E opgesteld. De veiligheidskundige dient hier een actieve rol in te krijgen.
Als uit het verkennend onderzoek naar voren komt dat nog niet alle aspecten zijn onderzocht, kan het nodig zijn een nader onderzoek uit te voeren. Dit nader onderzoek wordt uitgevoerd volgens NTA 5755 (en in geval van asbest volgens NEN 5707/NEN 5897).
Uit het nader onderzoek moet blijken of er voor veiligheid en gezondheid al dan niet een veiligheidsklasse van toepassing is. In Module 3 is beschreven hoe dit kan worden vastgesteld. Als er nog onvoldoende bekend is over de aard van de aanwezige gevaarlijke stoffen, kan het noodzakelijk zijn een nader onderzoek uit te voeren. Bij dit nader onderzoek kan ook de omvang en reikwijdte van eventueel aanwezige vluchtige componenten worden meegenomen indien hier nog onvoldoende inzicht in bestaat.
De verzamelde projectgegevens (uit vooronderzoek, eventueel bodemonderzoek en andere ondergrondse informatie) worden samengevat in een dossier. De benodigde vergunningen, ingediende meldingen en naar aanleiding hiervan verkregen instemmingen (die afhankelijk zijn van de voorgenomen activiteiten) worden later ook in het dossier opgenomen.