Inhoud

5 Uitvoeringsfase

5.1 Locatie met veiligheidsklasse Oranje

Er is sprake van een locatie met veiligheidsklasse Oranje als de concentratie van de verontreiniging door niet-vluchtige stoffen zich bevindt tussen 75% SRC-arbo en SRC-arbo en/of de concentratie van de verontreiniging door vluchtige stoffen zich bevindt tussen de Tussenwaarde en de Interventiewaarde.

De veiligheidskundige (module 5) bespreekt in een startwerkinstructie de door hem vastgestelde beheersmaatregelen met de betrokkenen.

In de startwerkinstructie worden de geplande werkzaamheden, de bijzondere risico’s en de te nemen maatregelen besproken om de projectspecifieke risico’s te beheersen (Module 6). Bij aanvang wordt gecontroleerd door de aannemer dat de in de voorbereidingsfase vastgestelde beheersmaatregelen zijn genomen.

5.2 Locatie met veiligheidsklasse Rood of Zwart

Er is sprake van een locatie met veiligheidsklasse Rood of Zwart als de concentratie van de verontreiniging door niet-vluchtige stoffen groter is dan SRC-arbo en de concentratie verontreiniging door vluchtige stoffen groter is dan de Interventiewaarde.

Het borgen van de beheersing van de projectrisico’s ligt bij de Opdrachtgever (zie ook Arbobesluit, hoofdstuk 2, afdeling 5). De aannemer is verantwoordelijk voor de beheersing van de restrisico’s. Hierbij is de inbreng van de veiligheidskundige (Module 5) verplicht.

De veiligheidskundige bespreekt in een startwerkinstructie de door hem vastgestelde beheersmaatregelen met de betrokkenen.

5.3 Milieugerelateerde aandachtspunten

Als voor de grondroerende werkzaamheden een saneringsplan is ingediend of een BUS-melding is gedaan, mogen de werkzaamheden in sterk verontreinigde bodem of baggerspecie alleen worden uitgevoerd door BRL 7000-erkende aannemers. Er moet een start- en eindmelding worden gedaan en indien van toepassing melding van de einddiepte van de ontgraving bij het Wbb-bevoegd gezag (gemeente, provincie, omgevingsdienst).
Ook is in die gevallen BRL 6000 van toepassing. Alleen in bepaalde situaties die vallen onder de BUS-categorie ‘Tijdelijk uitplaatsen’ geldt geen verplichte milieukundige begeleiding (zie artikel 3.3.5 van de Regeling Uniforme Saneringen). Bij ingrepen in de oever of bodem van een oppervlaktewaterlichaam geldt alleen een erkenningsplicht voor de uitvoering van de werkzaamheden en de milieukundige begeleiding indien de Interventiewaarden worden overschreden en de omvang van het werk groter is dan 1.000 m3.

Op alle werkzaamheden die onder de scope van een saneringsplan of BUS-melding vallen, is de erkenningsplicht van toepassing. Dit geldt bijvoorbeeld ook voor het toepassen van een leeflaag op een saneringslocatie of het aanvullen van een saneringslocatie met niet-verontreinigde grond. Alleen als de werkzaamheden uitsluitend bestaan uit het aanbrengen van een verhardingslaag, hoeft de aannemer niet BRL 7000-erkend te zijn. In principe valt het aanbrengen van een verhardingslaag (als isolatielaag binnen een saneringsplan of BUS-melding) ook onder het toepassingsgebied van de BRL 7000. Deze werkzaamheden zijn echter dermate afwijkend van het reguliere (water) bodemsaneringsproces en soms dermate specialistisch dat een erkenningsverplichting hiervoor niet altijd mogelijk en wenselijk is. In overleg tussen het toenmalige ministerie van I&M, Bodem+ (een onderdeel van Rijkswaterstaat) en SIKB is daarom besloten dat een isolerende voorziening met vormgegeven bouwstoffen of objecten (bijvoorbeeld klinkers, asfalt, beton of een bouwwerk) niet door een voor BRL SIKB 7000 erkende bodemintermediair hoeft te worden aangebracht (bron SIKB).


Voorbeeld
Soms is het bouwen van een huis of het aanleggen van een weg dé sanerende maatregel waarvoor een saneringsplan is opgesteld (of een BUS-melding gedaan). In zo’n geval hoeft de aannemer voor de werkzaamheden niet gecertificeerd te zijn, ook niet als hij alleen op de verontreiniging aan het werk is (zoals bij het aanbrengen van de funderingslaag van de weg). Let wel, indien het grondverzet onder een bus-melding of saneringsplan wordt uitgevoerd, dan geldt wel de erkenningsplicht. Ditzelfde geldt voor het aanbrengen van een leeflaag.

Voor een overzicht van alle aandachtspunten waarmee in de uitvoering rekening moet worden gehouden, wordt verwezen naar Bijlage III ‘Checklist uitvoeringsfase’. Hierin zijn ook de erkenningsverplichtingen voor de uitvoeringsfase opgenomen.

5.4 Milieu-incidenten en -calamiteiten

5.4.1 Storingen en incidenten

Bij storingen in het ondergrondse netwerk of bij beschadiging van kabels of leidingen is de werkwijze zoals beschreven in deze richtlijn niet altijd onverkort van toepassing. Omdat dergelijke situaties veelal urgent zijn, is het niet altijd mogelijk een gedegen historisch onderzoek of bodemonderzoek uit te voeren en zal de tijd ontbreken om bijvoorbeeld een V&G-plan op te stellen. Dit is met name het geval als er ernstig (onmiddellijk) gevaar bestaat voor personen of leefmilieu, zoals bijvoorbeeld bij een gaslek of een lekkende tankwagen. Wel moet voor dergelijke situaties een draaiboek beschikbaar zijn dat maatregelen bevat die hoe dan ook worden genomen. Dergelijke maatregelen kunnen voor de borging van de veiligheid eventueel ter plaatse worden geactualiseerd op basis van de vooraf gedefinieerde scenario’s.

Bij het bepalen van het draaiboek moet worden gedacht aan:

Voor dergelijke situaties (bij de in deze subparagraaf beoogde storingen en incidenten) moet een veiligheidskundige worden geraadpleegd om de blootstellingsrisico’s en de benodigde beheersmaatregelen vast te stellen. Als verontreinigingen worden geconstateerd, dient het Wbb-bevoegd gezag te worden geïnformeerd. Indien de verontreiniging is aangetoond binnen een inrichting, wordt melding gemaakt bij het bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning (Wabo) of Activiteitenbesluit. Tot de beheersmaatregelen kan ook behoren het na afloop vaststellen van nog aanwezige verontreinigingen. Verder moeten afzetmateriaal en een beperkte sanitaire voorziening beschikbaar zijn (die laatste kan bijvoorbeeld bestaan uit een jerrycan met schoon water om handen en gezicht te reinigen).

Als een storing weliswaar leidt tot een onderbreking van de levering en daardoor kostenverhogend werkt, maar geen ernstig gevaar oplevert voor personen of zaken, dan is er meer tijd beschikbaar voor het uitvoeren van een (beperkt) vooronderzoek. In dat geval is er geen sprake van urgent storingsherstel / maatschappelijk belang. Het noodzakelijke herstel, met inbegrip van het vooronderzoek, geldt dan als gepland werk. Voor drinkwaterbedrijven geldt in dit opzicht overigens een uitzondering (conform artikel 35 van de Drinkwaterwet).

5.4.2 Calamiteiten (ongewoon voorval)

Als onverwachts een gebeurtenis optreedt die ernstige verontreiniging van het milieu tot gevolg kan hebben of heeft, wordt gesproken van een calamiteit of, meer in termen van de weten regelgeving, van een ongewoon voorval. Enkele voorbeelden hiervan zijn:

Wanneer de verontreiniging pas later wordt verwijderd dan dient hiervoor een plan van aanpak te worden opgesteld en ter beoordeling naar het bevoegd gezag Wbb (geen sprake van een inrichting) of Wabo (in het geval van een inrichting) te worden gestuurd.
Bij een ongewoon voorval moet snel worden ingegrepen om aantasting of verontreiniging te voorkomen dan wel te beperken (zogenaamde eerste bereddering). In een dergelijke situatie zijn de artikelen 13, 27 en 30 van de Wbb van toepassing. In artikel 13 is bepaald dat in geval van een ongewoon voorval ‘onverwijld’ maatregelen worden genomen om de verontreiniging of de aantasting van de bodem en de directe gevolgen daarvan te beperken en zo veel mogelijk ongedaan te maken. Ook moet het bevoegd gezag (gemeente, provincie of omgevingsdienst) zo spoedig mogelijk geïnformeerd worden. Indien de calamiteit of het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan binnen een inrichting, wordt de melding gedaan aan de organisatie die bevoegd gezag is vanuit de Wabo / Activiteitenbesluit.

Bij direct optreden is het niet altijd mogelijk om eerst bodemonderzoek uit te voeren om de aard, mate en omvang van de verontreiniging vast te stellen. Wel is vaak iets bekend over de aard van de verontreiniging. Bij het vaststellen van de veiligheidsmaatregelen en -voorzieningen kan hiermee rekening worden gehouden. Voorzichtigheid blijft echter geboden, vooral bij bijvoorbeeld een illegale dumping van vaten met chemicaliën.

Voor situaties waarin direct optreden geboden is (de eerste 24 uur van een bereddering na een calamiteit, zie artikel 2.1, 3e lid Rbk), geldt een uitzondering op de verplichting om te beschikken over een erkenning voor de BRL 7000. Deze uitzondering geldt alleen voor de uitvoering van bodemsaneringen (door bijvoorbeeld een aannemer). Dit betekent bijvoorbeeld dat wel bodemmonsters moeten worden genomen (achteraf, ter vaststelling van de eindsituatie na ontgraving) en ook dat analyses moeten worden uitgevoerd door een BRL 6000-erkend bedrijf. Indien nodig kan het bevoegd gezag op grond van artikel 27 Wbb aanwijzingen geven met betrekking tot de te nemen maatregelen.

Wordt de verontreiniging niet direct maar pas op een later moment verwijderd, dan is het redelijkerwijs mogelijk om de ontstane verontreiniging eerst te onderzoeken door een bodemonderzoek. In dat geval geldt dat de herstelwerkzaamheden dan door een erkend bedrijf moeten worden uitgevoerd. Wanneer de verontreiniging pas later wordt verwijderd dan dient hiervoor een plan van aanpak te worden opgesteld en ter beoordeling naar het bevoegd gezag Wbb (in het geval van geen inrichting) of Wm (in het geval van een inrichting) te worden gestuurd.
Klik op de afbeelding voor een vergroting.

5.5 Grondverzet

Bij de uitvoering van werken in de bodem is altijd sprake van grondverzet. In deze paragraaf gaat het vooral over grondverzet buiten gevallen van ernstige bodemverontreiniging, waarbij de bodem herbruikbaar is onder het Bbk. Maar er wordt ook ingegaan op niet-toepasbare grond of baggerspecie.

Vrijkomende baggerspecie wordt meestal niet opnieuw toegepast op de plek waar deze is vrijgekomen, maar elders op de land- of waterbodem. Het is ook mogelijk dat de baggerspecie, mits de kwaliteit dit toestaat, wordt verspreid over een aangrenzend perceel of in het oppervlaktewater. Bij het baggeren van een hoeveelheid groter dan 1000 m3 in een waterbodem die is verontreinigd boven de interventiewaarde, geldt de erkenningsplicht voor BRL 6000 en BRL 7000.

Bij grondverzet kunnen de volgende situaties worden onderscheiden:

5.5.1 Tijdelijke uitname

Er is sprake van tijdelijke uitname als hergebruik binnen hetzelfde werk plaatsvindt, de bodem niet wordt bewerkt en onder dezelfde condities en op of nabij dezelfde plaats en in dezelfde toepassing wordt teruggeplaatst. Bij het werken aan kabels en leidingen is doorgaans sprake van tijdelijke uitname.

Voor de tijdelijke opslag van bodem bij het werk of op een andere plaats, gelden de regels uit het Bbk. Voor tijdelijke opslag binnen een inrichting gelden de regels van het activiteitenbesluit of de omgevingsvergunning.
Het tijdelijk uitplaatsen van verontreinigde bodem (> Interventiewaarden) wordt in bepaalde situaties gezien als bodemsanering. Hierop is het BUS, categorie Tijdelijk uitplaatsen, van toepassing. Bij saneren worden de gevolgen van een (dreigende) verontreiniging zo veel mogelijk beperkt of ongedaan gemaakt. Dat is bij tijdelijke uitname niet het geval. Wel kan de meldplicht van artikel 28 Wbb van kracht zijn, omdat sprake is van een handeling waarbij de verontreiniging van de bodem (tijdelijk) wordt verplaatst. De BUS-melding moet ingediend worden bij het bevoegd gezag. Er dient een start- en eindmelding te worden gedaan bij het bevoegd gezag. Na afloop dient een kort evaluatieverslag te worden ingevuld en toegezonden aan het Wbb-bevoegd gezag. De uitvoering moet geschieden door een BRL 7000-erkend bedrijf onder milieukundige begeleiding van een BRL 6000-erkend bedrijf (tenzij sprake is van de uitzondering zoals omschreven in artikel 3.3.5 van de Regeling Uniforme Saneringen).

Voor het tijdelijk uitplaatsen van bouwstoffen (bijvoorbeeld een wegfundering) kent het Bbk een soortgelijke uitzondering als voor bodem. Dit betekent dat er geen verplichte kwaliteitsbepalingen gelden of een meldingsverplichting van toepassing is. Wordt echter visueel een verontreiniging waargenomen, dan geldt de zorgplicht en is onderzoek en eventueel afvoer van de bouwstof noodzakelijk.

Als er wordt gewerkt in een bodem waarin diverse grondlagen zijn te onderscheiden, zijn separate ontgraving en opslag van de bodem nodig. Na beëindiging van de werkzaamheden worden de verschillende soorten bodem in omgekeerde volgorde teruggezet, zodat de oorspronkelijke gelaagdheid wordt gehandhaafd. Het plaatsen van bodem nabij een sleuf wordt ook gezien als een tijdelijke opslag. Het mengen van lagen van verschillende milieuhygiënische kwaliteiten is niet toegestaan.

5.5.2 Grondoverschot

Als er meer grond wordt ontgraven dan kan worden teruggeplaatst, moet er grond worden afgevoerd. Lagen van verschillende milieuhygiënische kwaliteit dienen afzonderlijk te worden afgegraven. Per laag wordt beoordeeld of deze herbruikbaar is of niet. Als de bodem niet herbruikbaar is (kwaliteitsklasse > industrie of civieltechnisch niet herbruikbaar) dient deze afgevoerd te worden naar een verwerker (artikel 10.37, Wet milieubeheer).

Als de bodem wel herbruikbaar is, voert de aannemer de bodem af volgens projectplan of bestek. Als de bodem elders wordt toegepast of opgeslagen onder de voorwaarden van het Bbk, dient de toepasser een melding te doen via het meldpunt bodemkwaliteit. Dit is echter niet noodzakelijk als de bodem wordt afgevoerd naar een inrichting, zoals een grondbank (deze grondbank hoeft niet standaard erkend te zijn; dit geldt alleen als de grondbank verschillende partijen grond samenvoegt).

Het transport van bodemmateriaal gaat vergezeld van transportbegeleidingsformulieren. De Opdrachtgever controleert of borgt in het contract dat afvoer en melding correct worden uitgevoerd.

Indien er (secundaire) bouwstoffen worden aangetroffen, moeten deze worden gescheiden van de bodem en apart worden afgevoerd.

5.5.3 Grondtekort

Als er meer grond nodig is dan bij het ontgraven is vrijgekomen, moet er grond worden aangevoerd. De aannemer controleert de bij de aangevoerde grond behorende milieuhygiënische verklaring (partijkeuring, erkende kwaliteitsverklaring, fabrikant-eigenverklaring, (water)bodemkwaliteitskaart of, in geval van baggerspecie, waterbodemonderzoek volgens NEN 5720). Bij een bodemkwaliteitskaart dient te worden gecontroleerd of voldaan is aan de voorwaarden als benoemd in artikel 4.3.5 van de Rbk.

Uit de milieuhygiënische verklaring volgen de kwaliteit en daarmee de toepassingsmogelijkheden van de aangevoerde grond:

Het voornemen om grond met gehalten > AW2000 toe te passen, dient volgens het Bbk per partij te worden gemeld bij het meldpunt bodemkwaliteit. Vandaaruit wordt het bevoegd gezag (meestal de gemeente, maar soms provincie, waterschap of Rijkswaterstaat) op de hoogte gesteld.

Als toepassen niet mogelijk is of als het bewijsmiddel niet wordt geaccepteerd, dient de toepasser de aangeboden partij bodem te weigeren en een andere partij te zoeken.

Bij beide hiervoor beschreven toepassingsmogelijkheden geldt dat, zelfs als er niet gemeld hoeft te worden, de aannemer verantwoordelijk blijft voor de veiligheid en gezondheid van zijn medewerkers.

Het toepassen van (secundaire) bouwstoffen – zowel binnen een sanering als daarbuiten, als onderdeel van het bouwproces – is alleen toegestaan als wordt voldaan aan de expliciete eisen van het Bbk aan (secundaire) bouwstoffen; zie ook Module 1.
Klik op de afbeelding voor een vergroting.

5.5.4 Niet-toepasbare bodem

Als de uitgenomen bodem en/of baggerspecie volgens het Bbk niet opnieuw toepasbaar is, mag deze nooit op een andere locatie worden hergebruikt. De grond dient te worden afgevoerd naar een erkend grondreinigings- of immobilisatiebedrijf. Alleen in het geval van tijdelijke uitname mag de grond (op dezelfde locatie!) worden hergebruikt.

Voor grond geldt een stortverbod. Alleen als de bodem niet reinigbaar en niet-immobiliseerbaar is, kan een ontheffing (verklaring van niet-reinigbaarheid) worden aangevraagd bij Rijkswaterstaat, Bodem+.

5.6 Onvoorziene verontreinigingen

Ook als voorafgaand onderzoek heeft uitgewezen dat geen (ernstige) bodemverontreiniging te verwachten is, kan tijdens de uitvoering het tegendeel blijken. Daarom moeten alle medewerkers die bij de uitvoering van een project betrokken zijn, vooraf instructie ontvangen over hoe te handelen als onvoorziene verontreinigingen worden aangetroffen. Daartoe behoort in elk geval het zo spoedig mogelijk informeren van de voor veiligheid verantwoordelijke persoon op het project.

Als tijdens de werkzaamheden onvoorziene (water)bodemverontreinigingen worden aangetroffen, moet de aannemer de werkzaamheden direct stilleggen en de locatie veiligstellen. Vervolgens stelt de aannemer (of indien van toepassing de milieukundig begeleider) de Opdrachtgever op de hoogte en worden de onderstaande stappen doorlopen (de volgorde van de stappen en de partijen die ze uitvoeren, kunnen per situatie verschillen):

Het (aangepaste) plan van aanpak, de BUS-melding of het saneringsplan wordt voorgelegd aan het Wbb-bevoegd gezag; na instemming hiermee wordt het werk uitgevoerd op de beschreven wijze. Onvoorziene bodemverontreinigingen dienen in het V&G-dossier vermeld te worden voor zover dit relevant is voor toekomstig onderhoud en beheer. Als sprake is van asbestverontreiniging boven de interventiewaarde (100 mg/kg d.s. g.g.) dient de aanwezigheid van asbest te worden gemeld bij I-SZW.
Klik op de afbeelding voor een vergroting.
Figuur 5. Deelschema – uitvoering-afronding – hoofd en milieuproces

5.7 Afronding werkzaamheden

5.7.1 Afronding locatie niet verontreinigd

Als in de uitvoeringsfase geen onvoorziene verontreiniging is aangetroffen, kunnen de activiteiten als volgt worden afgerond. De aannemer draagt het V&G-dossier over aan de Opdrachtgever, die dit vervolgens overdraagt aan de eigenaar of beheerder/gebruiker van de locatie. Daarnaast dient de Opdrachtgever de verzamelde gegevens over de bodemkwaliteit te documenteren en te archiveren.

5.7.2 Afronding locatie verontreinigd

Als in de uitvoeringsfase wel onvoorziene verontreiniging is aangetroffen, verloopt de afronding als volgt. De aannemer draagt het V&G-dossier over aan de Opdrachtgever, die dit vervolgens overdraagt aan de eigenaar of beheerder/gebruiker van de locatie. Na de uitvoering wordt een evaluatieverslag opgesteld op basis van een saneringsplan of BUS-melding. Dit verslag wordt getoetst door het Wbb-bevoegd gezag. De aannemer draagt het V&G-dossier daarna over aan de Opdrachtgever, die dit vervolgens overdraagt aan de eigenaar of beheerder/gebruiker van de locatie.

Na uitvoering van een sanering kunnen er nazorgverplichtingen gelden voor de Opdrachtgever en/of de eigenaar en/of de gebruiker. Ook kan contractueel bepaald zijn dat de aannemer nazorgverplichtingen heeft.

De Opdrachtgever dient de verzamelde gegevens over de bodemkwaliteit te documenteren. Gegevens kunnen ook afkomstig zijn van private Opdrachtgevers (denk hierbij aan transacties of bouwvergunningen).

Aanbevolen wordt om de resultaten van eventueel uitgevoerd bodemonderzoek digitaal ter beschikking te stellen in een uniform xml-format (standaard SIKB-format). Partijen die zich conformeren aan deze richtlijn dienen deze aanbeveling op te vatten als een voorwaarde.

5.8 Behoud van informatie

Als tijdens de voorbereiding van een project vooronderzoek en/of bodemonderzoek is uitgevoerd, is het belangrijk dat de informatie daaruit beschikbaar blijft. Daardoor kan worden voorkomen dat later opnieuw onderzoek moet worden gedaan. Voorwaarde bij hergebruik is uiteraard wel dat de informatie nog steeds betrouwbaar en bruikbaar is.

Om bodeminformatie te behouden en beter te ontsluiten, werken overheden en netbeheerders samen in het initiatief ‘BodemInformatie Delen tussen Overheid en Netbeheerders’ (BIDON). Overheden en netbeheerders hebben baat bij een verbeterde informatiehuishouding. Via een gemeenschappelijke voorziening kunnen gegevens over bodemkwaliteit sneller, eenvoudiger en tegen lagere kosten beschikbaar worden gesteld voor vele partijen. Hiertoe behoren, naast de overheid en de netbeheerders, ook bodemadviesbureaus, grondroerders, projectontwikkelaars, verzekeraars en makelaardij.

Momenteel ontwikkelen diverse partijen risicokaarten voor het werken in de bodem. Het gaat hierbij om data-interpretaties: er worden informatieproducten gemaakt van beschikbare (bodem)data. De data worden verkregen door datadumps op te vragen bij gemeenten en/of provincies. De risicokaarten stellen partijen in staat om real time informatie op te halen. De hier bedoelde initiatieven staan overigens los van BIDON. De verwachting is dat BIDON en/of het landelijke Informatiehuis bodem (via Omgevingsloket, Bodemloket of de Basisregistratie ondergrond) in de toekomst deze faciliteit kunnen bieden.

Tabel 3. Schematisch overzicht van activiteiten en verantwoordelijkheden tijdens voorbereidingsfase, uitvoeringsfase en gebruiksfase

Verantwoordelijke
Projectfase Activiteit Initiatief-
nemer
Opdracht-
gever
Ontwerper Grond-
roerder
Beheerder/
eigenaar
VoorbereidingKennisgeving;
Melding bevoegd gezag (Bbk, startmelding BUS)
X X
Aanstellen van veiligheidskundige ten behoeve van vaststellen definitieve veiligheidsklasse;
Verificatie veiligheidsklasse door veiligheidskundige;
Vaststellen maatregelenpakket door veiligheidskundige;
Aanstellen V&G-coördinator uitvoeringsfase;
Actualiseren V&G-plan, aanvullen specifieke elementen;
Vaststellen technische voorzieningen materieel inclusief filters;
Bepalen meetstrategie/meetmiddelen;
Inrichten werkterrein;
Vaststellen en borgen van organisatorische aspecten;
Medische geschiktheidsverklaringen betrokkenen borgen;
Melding start sanering (Wbb/BUS)
X
UitvoeringToezicht op juiste uitvoering V&G-plan;
Vervoer verontreinigde bodem naar erkende verwerker
Melding Bbk (toepassen grond of baggerspecie)
X
Treffen van arbeidshygiënische en veiligheidskundige maatregelen en voorzieningen;
Aanstellen DLP;
Geven van voorlichting en startwerkinstructie;
Uitvoeren van luchtkwaliteitsmetingen (indien nodig);
Bijhouden arbotechnisch logboek;
Begeleiding door veiligheidskundige;
Toezicht op juiste uitvoering V&G-plan;
Toezicht op effectief gebruik van PBM;
Actualisatie V&G-plan ingeval van afwijkingen;
Actualisatie V&G-dossier indien hier aanleiding toe is;
Begeleiding door milieukundige;
Milieukundige verificatie (indien van toepassing);
Grondboekhouding ter bewaking van grondbalans;
Eindmelding sanering bij bevoegd gezag
X
Indienen evaluatieverslag bij bevoegd gezag Wbb X
GebruikOverdracht V&G-dossier aan opdrachtgever
 X
Overdracht V&G-dossier aan eigenaar/beheerder/gebruiker X
Effectief gebruiken van V&G-dossier X

Tabel 3 geeft een schematisch overzicht van de activiteiten en verantwoordelijkheden van betrokkenen binnen de uitvoeringsfase.