Inhoud

1 Wetgeving

1.1 Inleiding

De wetgever verplicht Opdrachtgevers, ontwerpende en uitvoerende partijen en werkgevers maatregelen te nemen om de veiligheid en gezondheid van werknemers bij het uitvoeren van werkzaamheden te waarborgen en nadelige milieueffecten te beheersen. Ook werknemers hebben verplichtingen op het gebied van arbeidsomstandigheden en milieu. Diverse verantwoordelijkheden zijn beschreven in het Burgerlijk Wetboek en de Wet publieke gezondheid, maar beide wetteksten zijn in de voorliggende richtlijn niet in detail beschreven. In de modules is rekening gehouden met de belangrijkste onderdelen uit BW en Wpg.

Een groot deel van de milieuwet- en regelgeving, waaronder de bodemwet- en regelgeving, gaat de komende jaren veranderen en wordt onderdeel van de Omgevingswet. In deze publicatie kon hierop niet worden geanticipeerd. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet moet deze richtlijn opnieuw worden geactualiseerd.

Op het werken in of met verontreinigde (water)bodem zijn twee belangrijke kaders van toepassing, namelijk:

Daarnaast kunnen in specifieke gevallen de Waterwet (paragraaf 1.4) en andere wetten, regels en besluiten van toepassing zijn. In de volgende paragrafen worden alle bepalingen in hoofdlijnen uiteengezet en worden relaties gelegd met het werken in of met verontreinigde (water)bodem.

Klik op de afbeelding voor een vergroting.

1.2 Arboregeling

1.2.1 Arbeidsomstandighedenwet

De Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) verplicht de werkgever zich in te zetten voor een zo groot mogelijke veiligheid en bescherming van de gezondheid van zijn werknemers (artikel 3 Arbowet). Op grond van de Arbowet zal de werkgever de risico’s voor de veiligheid en gezondheid van de werknemer in eerste aanleg bij de bron moeten voorkomen of beperken. Waar dit niet mogelijk of haalbaar is, worden maatregelen genomen die gericht zijn op collectieve bescherming. Alleen als ook deze maatregelen redelijkerwijs niet kunnen worden verlangd, worden maatregelen genomen die gericht zijn op individuele bescherming. Als laatste mogelijkheid kan worden gewerkt met persoonlijke beschermingsmiddelen.

Een ander belangrijke eis van de Arbowet is het documenteren van en informeren over de te ondernemen en uit te voeren activiteiten binnen het kader van de arbeidsomstandigheden. Dit gebeurt door middel van plannen, verslagen, voorlichting en onderricht. Al deze activiteiten moeten worden geregistreerd en gedocumenteerd.

1.2.2 Beschermingsniveaus

De Arbowet geeft in artikel 3 sub b een rangorde voor de typen te treffen maatregelen. Alleen als een maatregeltype van een hoger niveau in technische, operationele en/of economische zin redelijkerwijs niet haalbaar is, mag een maatregeltype van een lager niveau worden toegepast. Het bepalen van doelmatige maatregelen op basis van de prioritering van beschermingsniveaus wordt de arbeidshygiënische strategie genoemd.

De prioritering van de beschermingsniveaus is als volgt:

Het ‘redelijkerwijsbeginsel’ gaat alleen op bij klasse oranje en klasse rood. Bij klasse zwart (CM-stoffen) geldt het redelijkerwijsbeginsel wel in technisch opzicht, maar niet in financieel opzicht. Indien uitsluitend een financiële afweging geldt, moet al het mogelijke worden gedaan om te voldoen aan de arbeidshygiënische strategie. Dit wordt nader toegelicht in de artikelen 4.4 en 4.18 van het Arbobesluit.

1.2.3 Risico-inventarisatie en -evaluatie

Elke werkgever is op grond van artikel 5 van de Arbowet verplicht in zijn organisatie een risico-inventarisatie uit te (laten) voeren. Deze inventarisatie (aard en ernst van de gevaren) moet hij vervolgens evalueren. Onderdeel van de inventarisatie en evaluatie is het schriftelijk vastleggen van een plan van arbeidbeschermende maatregelen. Voor een aantal onderwerpen, zoals gevaarlijke stoffen (waaronder ook kankerverwekkende en/of mutagene stoffen), lawaai, trillingen en biologische agentia, geeft het Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbobesluit) nadere voorschriften voor de risico-inventarisatie en -evaluatie.

Als werknemers (kunnen) worden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen, moeten op grond van het Arbobesluit (artikel 4.2, hoofdstuk 1, afdeling 1) de aard, de mate en de duur van de blootstelling worden beoordeeld om de gevaren voor de werknemers te bepalen.

1.2.4 Voorlichting en onderricht

De werkgever is op grond van artikel 8 van de Arbowet en artikel 4.10d van het Arbobesluit verplicht om werknemers voor te lichten en te onderrichten over de risico’s die voortvloeien uit het werken met gevaarlijke stoffen en over de te gebruiken persoonlijke beschermingsmiddelen. In de artikelen 4.45a en 4.45b van het Arbobesluit is de specifieke voorlichting/onderricht opgenomen over de risico’s van het werken met asbest. De werkgever moet daarbij toezien op naleving van de gegeven instructies en voorschriften. Voorlichting en onderricht moeten in ieder geval plaatsvinden voordat de werknemers werkzaamheden gaan verrichten (bij indiensttreding, bij aanvang van een nieuw werk, bij wijziging van de functie en/of taken van de desbetreffende werknemer, bij invoering of wijziging van procedures, et cetera). In de modules 5 ‘Eisen aan de deskundigheid’ en 8 ‘Voorlichting en instructie’ wordt hier verder op ingegaan.

1.2.5 Derden

Op grond van artikel 10 van de Arbowet is de werkgever verplicht om doeltreffende maatregelen te nemen tegen het gevaar voor derden dat door de werkzaamheden van zijn werknemers ontstaat. Met betrekking tot werken in of met verontreinigde (water)bodem betekent dit dat de werkgever maatregelen moet treffen om te voorkomen dat ook andere personen dan zijn eigen personeelsleden worden blootgesteld aan de risico’s die voortvloeien uit de werkzaamheden. Zie voor meer informatie module 7 ‘Gezondheidskundige zorg’.

1.2.6 Arbeidsgezondheidskundig onderzoek

Op grond van artikel 18 van de Arbowet en de artikelen 4.10a en 4.23 van het Arbobesluit moet elke werknemer in de gelegenheid worden gesteld zich medisch te laten onderzoeken. De werknemer die bij een bedrijf in dienst treedt en/of op een locatie werkzaamheden moet gaan verrichten en/of indirect kan worden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen, moet de gelegenheid krijgen om een dergelijk arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan vóór aanvang van de werkzaamheden. In module 7 ‘Gezondheidskundige zorg’ is aangegeven uit welke onderdelen deze toetsing kan bestaan.

1.2.7 Jeugdigen en zwangere vrouwen

Op grond van het Arbobesluit (hoofdstuk 1, afdeling 8 en artikel 4.105) gelden werknemers jonger dan 18 jaar als jeugdigen. Zij worden gezien als een bijzondere risicogroep die geen werkzaamheden mag uitvoeren in de verontreinigde zone.

Op grond van het Arbobesluit (hoofdstuk 1, afdeling 9) gelden voor zwangere vrouwen en vrouwen in de lactatieperiode gelijksoortige beperkingen; dit ter bescherming van het (ongeboren) kind. De werkgever moet een werkneemster binnen twee weken nadat zij aan hem bekend heeft gemaakt dat zij zwanger is, informeren over de risico’s van de stoffen waarmee wordt gewerkt. Het werk moet zodanig worden aangepast dat de betreffende werkneemster niet aan deze stoffen wordt blootgesteld. De Inspectie SZW houdt hierop toezicht namens het bevoegd gezag.

In module 7 ‘Gezondheidskundige zorg’ worden deze zaken verder toegelicht.

1.2.8 Bouwproces

Het Arbobesluit (hoofdstuk 2, afdeling 5, artikelen 2.23 t/m 2.35) is er in beginsel op gericht een goede samenwerking tot stand te brengen tussen de partijen die bij het bouwproces zijn betrokken. Hiertoe wordt een V&G-coördinator voor de ontwerpfase en de uitvoeringsfase aangesteld. De taken van deze coördinator(en) zijn in het Arbobesluit vastgelegd. Twee zaken zijn in dit verband essentieel, namelijk het Veiligheids- en Gezondheidsplan (V&G-plan) en het Veiligheids- en Gezondheidsdossier (V&G-dossier).

In het Arbobesluit (hoofdstuk 2, afdeling 5, artikelen 2.27, 2.28 en 2.29) zijn de V&G-verplichtingen per bouwwerkcategorie nader aangegeven. Wat deze betekenen voor de verschillende typen werkzaamheden en veiligheidsklassen, is opgenomen in module 6 ‘V&G-plan, dossier en arbotechnisch logboek’. In deze module zijn ook de vereisten aangegeven die gelden voor het V&G-plan.

1.2.9 Werken met gevaarlijke stoffen

Het Arbobesluit (hoofdstuk 4, afdeling 1, artikel 4.1b) stelt dat de werkgever voor een doeltreffende bescherming van de gezondheid en veiligheid van de werknemer moet zorgen. Hieraan wordt voldaan als in het kader van de risico-inventarisatie en -evaluatie de aard, mate en duur van de blootstelling is beoordeeld, doeltreffende maatregelen zijn getroffen ter voorkoming of beperking van de blootstelling en preventieve maatregelen zijn genomen ter voorkoming van ongewenste gebeurtenissen. Daarom wordt bij het werken in of met verontreinigde (water)bodem bij aanwezigheid van gevaarlijke stoffen een veiligheidsklasse voorgeschreven die afhangt van de schadelijkheid en concentratie van deze stoffen

Het Arbobesluit (hoofdstuk 4, afdeling 2) stelt dat beroepsmatige blootstelling van werknemers aan kankerverwekkende en/of mutagene stoffen (CM-stoffen) te allen tijde moet worden vermeden. De aanwezigheid van een CM-stof betekent niet automatisch dat het zwaarste regime wordt gehanteerd. Voor de bepaling van de veiligheidsklasse zijn niet alleen de stofeigenschappen bepalend, maar ook de aanwezige concentratie. De maatregelen dienen te worden genomen vanuit de bronaanpak, waarbij gericht het risico van blootstelling wordt voorkomen.

De te hanteren veiligheidsklasse is afhankelijk van de stofspecifieke eigenschappen, waarbij vluchtige stoffen zwaarder wegen door de grotere kans op blootstelling. Ingeval van blootstelling aan CM-stoffen in een concentratie boven de SRC-arbo, is de werkgever verplicht de gegevens van deze blootstelling te registreren (artikel 4.13 van het Arbobesluit). De gegevens dienen voor een periode van 40 jaar beschikbaar te blijven (artikel 4.10C van het Arbobesluit). De werkwijze is verder beschreven in module 6.

Binnen het Arbobesluit zijn de eisen voor reproductie toxische stoffen (reprotoxische stoffen, R) niet gelijk aan die voor CM-stoffen. Reprotoxische stoffen kunnen effecten hebben op alle organen en lichaamscellen, dus ook op de geslachtsorganen en de geslachtscellen (eicellen en spermacellen). Hierdoor kan de vruchtbaarheid worden aangetast. De stoffen kunnen ook schadelijk zijn tijdens de zwangerschap. Door effecten van deze stoffen op de moeder of als stoffen via de placenta het ongeboren kind bereiken, kunnen afwijkingen ontstaan die leiden tot het vervroegd eindigen van de zwangerschap (miskraam), een vroeggeboorte of een verminderd geboortegewicht. Ook bestaat er kans op aangeboren afwijkingen of andere ontwikkelingsstoornissen. Er gelden specifieke beheersmaatregelen om dit soort risico’s zo veel mogelijk tegen te gaan. Zie verder module 4.

De Opdrachtgever zal, door een inventarisatie en evaluatie van de risico’s, de uitvoerende partij via het bestek / de overeenkomst informeren over de risico’s van blootstelling. In het bestek / de overeenkomst zijn de voorlopige veiligheidsklasse en het V&G-plan opgenomen. Zie verder module 2.

1.2.10 Kerndeskundigen

Het Arbobesluit (artikel 4.54d, lid 8) bepaalt dat bij het werken met asbesthoudende grond de werkzaamheden moeten worden begeleid door een deskundige als beschreven in artikel 2.7 van het Arbobesluit. Voor informatie over eisen aan andere deskundigen die in deze publicatie aan bod komen, wordt verwezen naar module 5 ‘Eisen aan de deskundigheid’. De deskundigheid die moet worden ingezet, is afhankelijk van de mate waarin het potentieel gevaar kan optreden.

1.2.11 Opsporen van conventionele explosieven

In artikel 4.10 van het Arbobesluit is de specifieke regelgeving opgenomen voor bedrijven die zich bezighouden met het opsporen van conventionele explosieven (OCE). Hiervoor geldt een certificatieplicht volgens het WSCS-OCE.

1.2.12 Toezicht door de Inspectie SZW

Op grond van de artikelen 24 t/m 29 van de Arbowet is de Inspectie SZW belast met het toezicht op de naleving van de Arbeidsomstandighedenwet. Bij het niet naleven van de verplichtingen kunnen sancties worden opgelegd conform de Arbowet en de Wet op de economische delicten. Bij toezicht door een inspecteur van de Inspectie SZW zal eerst de feitelijke situatie op de bouwplaats worden beoordeeld. Indien de situatie daartoe aanleiding geeft, wordt bekeken in hoeverre deze afwijkt van hetgeen in het veiligheids- en gezondheidsplan is opgenomen. Afhankelijk van de ernst van de situatie wordt bepaald hoe kan worden gestimuleerd dan wel afgedwongen dat de verplichtingen worden nageleefd en welke aanvullende voorzieningen moeten worden getroffen om herhaling te voorkomen. De inspecteur zal daarover afspraken maken met de verantwoordelijke betrokkenen. Bij ernstige overtredingen kan de inspecteur gelasten de werkzaamheden onmiddellijk te staken.

Bij de handhaving wordt onder meer gebruikgemaakt van basisinspectiemodules (BIM’s).

1.3 Milieuregelgeving

De Wet milieubeheer (Wm), de Waterwet en de Wet bodembescherming (Wbb) leggen verplichtingen op aan het werken in of met verontreinigde bodem en verontreinigd (grond)water. Activiteiten zoals het verwijderen, storten en behandelen van afvalstoffen, het gebruiken van (secundaire) grond/bouwstoffen en het lozen van afvalwater, worden expliciet in de wetgeving gedefinieerd vanwege de mogelijk nadelige effecten hiervan op het milieu. Hierna worden diverse aspecten van de milieuwetgeving omschreven die van belang zijn bij bodem-, bagger- en bemalingswerken. Het overzicht is niet uitputtend.

1.3.1 Wet bodembescherming

De Wet bodembescherming (Wbb) is van kracht sinds 1 januari 1987 en geeft het kader voor het beleid inzake de bescherming van de bodem en de sanering in gevallen van ernstige (historische) en nieuwe (zorgplicht) verontreinigingen van de bodem. De Wbb is van toepassing op de bodem, ofwel ‘het vaste deel van de aarde met de zich daarin bevindende vloeibare en gasvormige bestanddelen en organismen’. Hieronder wordt alleen de landbodem verstaan. Waterbodems vallen onder de Waterwet.

Het belangrijkste onderdeel van de Wbb betreft de regels voor het saneren van bodems waarvan de verontreiniging is veroorzaakt vóór 1 januari 1987. Deze ‘saneringsregeling’ is beschreven in hoofdstuk IV van de Wbb. Voor verontreinigingen veroorzaakt na genoemde datum geldt de zorgplicht van de Wbb. Iedereen die van plan is een bodem te saneren of andere activiteiten wil ondernemen waardoor de bodemverontreiniging wordt verminderd of verplaatst, moet dit melden aan het bevoegd gezag.

Op basis van de Wbb wordt (bodem)grond als volgt ingedeeld:

Deze indeling is gebaseerd op toetsing van de analyseresultaten. De classificatie van bodem wordt uitgevoerd op basis van twee documenten: de Regeling bodemkwaliteit, waarin de achtergrondwaarde (AW2000) voor grond is opgenomen; en de Circulaire bodemsanering, waarin de streef- en Interventiewaarden voor grondwater en de Interventiewaarden voor grond zijn opgenomen.

Er is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging indien voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in minimaal 25 m3 bodemvolume (in het geval van bodem- of sedimentverontreiniging) dan wel 100 m3 poriënverzadigd bodemvolume (in het geval van een grondwaterverontreiniging) hoger is dan de Interventiewaarde; dit is vastgelegd in de Circulaire bodemsanering, paragraaf 2.1. Bij aanwezigheid van asbest boven de Interventiewaarde geldt de 25 m3 bodemvolume niet; in dat geval is er altijd sprake van ernstige bodemverontreiniging.

Grondroerende werkzaamheden in een geval van ernstige bodemverontreiniging worden door de Wbb gezien als een handeling met verontreinigde bodem, waarvoor een meldingsplicht geldt. Dit geldt ook als de werkzaamheden niet tot doel hebben de bodem te saneren (zoals bij het werken aan kabels en leidingen) of als sprake is van een zeer kleine hoeveelheid te verplaatsen bodem.

Alle handelingen binnen een geval van ernstig verontreinigde grond vallen onder de Wbb en dienen gemeld te worden. De Wbb verplicht de initiatiefnemer om een saneringsplan of een melding volgens het Besluit uniforme saneringen (BUS) in te dienen bij het bevoegd gezag Wbb (provincie of aangewezen gemeente). Bij werken aan kabels en leidingen kan meestal worden volstaan met de vereenvoudigde werkwijze en procedure conform het BUS. Dit is echter medeafhankelijk van de verontreinigingssituatie ter plaatse en de geplande werkzaamheden. Als de sanering niet aan de criteria van het BUS voldoet, is een uitgebreide Wbb-procedure (saneringsplan) nodig. Deze kan 15 weken duren, met de mogelijkheid van 15 weken verlenging. Op het besluit is bezwaar en/of beroep mogelijk.

In het kader van deze publicatie zijn de volgende algemene maatregelen van bestuur (amvb’s) van belang:

De amvb’s BUS en Bbk worden hierna toegelicht. Dit geldt niet voor het Bong; deze amvb bevat enkele uitzonderingen op de meldingsplicht.

1.3.1.1 Besluit uniforme saneringen

Het Besluit uniforme saneringen (BUS) bestaat uit algemene regels waarmee eenvoudige en gelijksoortige saneringen kunnen worden uitgevoerd zonder dat een saneringsplan hoeft te worden opgesteld en ingediend. Hiermee wordt een langere procedure om een saneringsbeschikking te verkrijgen, voorkomen. Het merendeel van de saneringen en andere grondroerende activiteiten in sterk verontreinigde grond kan ‘onder het BUS’ worden uitgevoerd. Indien aan de voorwaarden van het BUS wordt voldaan, kan via een melding en onder algemene regels worden gewerkt. Er kan dan al na 5 weken (en in sommige situaties al na 5 werkdagen) worden gestart met de werkzaamheden.

Een bijzondere categorie binnen het BUS is tijdelijk uitplaatsen. Deze aanpak richt zich op werkzaamheden in ernstig verontreinigde bodem waarbij geen sprake is van een saneringsdoelstelling, maar waarbij het grondroeren plaatsvindt ten behoeve van aanleg, onderhoud en/of verwijdering van ondergrondse infrastructuur en waarbij de grond vaak na het ontgraven in het ontgravingsprofiel wordt teruggebracht. Na afloop van de werkzaamheden wordt een evaluatieverslag ingediend bij het Wbb-bevoegd gezag.

Voor meer informatie over het BUS wordt verwezen naar de ‘Handreiking uniforme saneringen’ op de website rijksoverheid.nl.

1.3.1.2 Besluit bodemkwaliteit

Het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) is gebaseerd op de Wet milieubeheer, de Wet bodembescherming, de Waterwet en de Woningwet. Het Bbk bestaat uit drie onderdelen, die betrekking hebben op:

(Verontreinigde) grond of baggerspecie komt in aanmerking voor hergebruik op de landbodem wanneer het materiaal voldoet aan de kwaliteitsklasse die voor de ontvangende bodem is vastgesteld én overeenkomt met of beter is dan de geldende bodemfunctieklasse die door de gemeente is vastgesteld. Sommige gemeenten hebben gebiedsspecifiek beleid vastgesteld. Dit houdt in dat gemeenten lokale maximale waarden hebben vastgesteld die afwijken van de generiek geldende maximale waarden; hoe dit werkt is toegelicht in de handreiking Bbk. Het Bbk maakt gebruik van de kwaliteitsklassen < Achtergrondwaarde 2000 (altijd toepasbaar), Wonen en Industrie.

(Verontreinigde) grond of baggerspecie komt in aanmerking voor hergebruik op de waterbodem wanneer het materiaal voldoet aan de kwaliteitsklasse die voor de ontvangende waterbodem is vastgesteld. In het Bbk worden de volgende kwaliteitsklassen onderscheiden:

Opdrachtgever en werkgever dienen afzonderlijk zowel de milieukundige als de veiligheids- en gezondheidsaspecten te beoordelen. Hierdoor moet worden voorkomen dat werkgevers onvoldoende beschermende maatregelen treffen voor werknemers.


Door het aanpassen van de methodiek voor het vaststellen van de veiligheidsklasse is er geen eenduidige koppeling meer met de grenzen van de bodemkwaliteitsklasse. Zie ook module 3.


Het Bbk maakt het mogelijk om onder voorwaarden grond en baggerspecie tijdelijk op de (water)bodem op te slaan, voorafgaand aan een definitieve toepassing onder het Bbk.

Bij toepassingen met grond of baggerspecie vereist het Bbk onder meer dat een milieuhygiënische verklaring beschikbaar is. Dit kan een partijkeuring of een waterbodemonderzoek zijn, een erkende kwaliteitsverklaring of een fabrikant-eigen-verklaring of, onder bepaalde voorwaarden, een (water)bodemkwaliteitskaart. Daarnaast dient de toepassing per partij grond of baggerspecie minimaal vijf werkdagen van tevoren te worden gemeld bij het meldpunt bodemkwaliteit. Vanhier wordt de melding automatisch doorgestuurd naar het bevoegd gezag. Dit kan eenvoudig via de website www.meldpuntbodemkwaliteit.nl.

Voor toepassing van niet-verontreinigde grond (kwaliteit: < achtergrondwaarde 2000) geldt een beperkte meldingsplicht; niet-verontreinigde grond in een hoeveelheid kleiner dan 50 m3 is hiervan uitgezonderd. Toepassing van grond op een locatie waarvoor al een BUS-melding is gedaan, is eveneens uitgezonderd van de meldingsplicht. Meer informatie over het Bbk, waaronder de ‘Handreiking besluit bodemkwaliteit’, is te vinden op www.bodemplus.nl.

Tijdelijke uitname van grond met verontreinigingen die lager liggen dan de interventiewaarden, waarvan bij werkzaamheden aan kabels en leidingen heel vaak sprake is, is uitgezonderd van veel verplichtingen uit het Bbk. Om te voldoen aan de criteria voor tijdelijke uitname, moet sprake zijn van het terugplaatsen van grond op of nabij dezelfde plaats, in dezelfde toepassing, onder dezelfde omstandigheden en zonder dat de grond is bewerkt. Hoewel het uitzeven van bodemvreemd materiaal normaal gesproken als een bewerking wordt gezien, is in de toelichting van het Bbk expliciet opgenomen dat dit niet geldt in het geval van tijdelijke uitname.

Het samenvoegen van verschillende partijen grond of baggerspecie is uitsluitend toegestaan onder de voorwaarden genoemd in artikel 4.3.2 van de Regeling bodemkwaliteit (Rbk).

De Erkenningsregeling Kwalibo is een integraal onderdeel van het Bbk en voorziet erin dat alleen bedrijven/personen die over een erkenning beschikken, bepaalde in de Rbk aangewezen werkzaamheden mogen uitvoeren. De belangrijkste beoordelingsrichtlijnen zijn:

Tijdens de door de certificerende instellingen uit te voeren audits, waaronder veldbezoeken, wordt getoetst of aan deze beoordelingsrichtlijnen wordt voldaan.

Bouwstoffen
Het toepassen van bouwstoffen is alleen toegestaan als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden van het Bbk:

Het Bbk maakt onderscheid in drie categorieën bouwstoffen: vormgegeven bouwstoffen, niet-vormgegeven bouwstoffen en IBC-bouwstoffen. Voor deze categorieën gelden verschillende normen.

Voor IBC-bouwstoffen gelden de volgende aanvullende voorwaarden (zie ook het Bbk en Rbk):

De omgang met historische niet-vormgegeven bouwstoffen tijdens werken is verder beschreven in de modules 3 en 4.
Voor meer informatie over het Bbk wordt verwezen naar de ‘Handreiking Bbk’ op de website www.bodemplus.nl.
Klik op de afbeelding voor een vergroting.

1.3.2 Wet milieubeheer

De Wet milieubeheer (Wm) is een belangrijke overkoepelende milieuwet. De centrale doelstelling van deze wet is een integrale aanpak van de milieuproblematiek:

“Alle aspecten van het milieubeleid moeten in hun onderlinge samenhang worden bekeken.”

Bij de verwijdering van gevaarlijke afvalstoffen moet rekening worden gehouden met de wetgeving en de voorschriften met betrekking tot het vervoer van gevaarlijke stoffen. Naast de voorschriften voor veilig vervoer van (gevaarlijke) stoffen gelden voor grond als afvalstof:

Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs). Het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen (Bvgs) vormt hiervan een uitwerking. Voor het wegvervoer gelden specifiek de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen (VLG) en het ADR (Accord européen relatif au transport international des marchandises Dangereuses par Route). Voor het vervoer over water gelden de Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen (VBG) en het ADN (Accord européen relatif au transport international des marchandises Dangereuses par voies de Navigation intérieures).

Verontreinigde bodem valt over het algemeen niet onder deze regelingen omdat de concentratie gevaarlijke stof ten opzichte van het gehele volume te laag is. Uitzonderingen hierop zijn bijvoorbeeld drijflagen (puur product) en asbest in grond in een concentratie > 1000 mg/kg d.s. (niet hechtgebonden asbest).

Omdat grond of baggerspecie in veel gevallen bij transport over de openbare weg als afvalstof wordt gezien, dient het transport vergezeld te gaan van een begeleidingsbrief. Dit geldt ook voor een transport van een partij herbruikbare grond of baggerspecie naar een toepassing of tijdelijke opslaglocatie onder het Besluit bodemkwaliteit. Begeleidingsbrieven kunnen worden besteld via http://www.beurtvaartadres.nl/.

Indien de grond of baggerspecie wordt afgevoerd naar een gronddepot (met een opslagcapaciteit groter dan 50 m3), reiniger of stortplaats (meldingsplichtige inrichtingen conform het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen), dient de acceptant van het materiaal een melding te doen van de acceptatie van de afvalstoffen aan het Landelijk Meldpunt Afvalstoffen (LMA). De acceptant verstrekt aan de ontdoener van de afvalstoffen een afvalstroomnummer, dat tijdens transport op de begeleidingsbrief moet staan. Meer informatie over afvalstroomnummers en begeleidingsbrieven vindt u op de website van het LMA.

Archeologie
In bepaalde gebieden en op bepaalde locaties moet bij (voorgenomen) werkzaamheden rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat zich in de bodem archeologische waarden bevinden. Dit kan betekenen dat eerst een archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd om de archeologische waardestelling te bepalen.

1.3.3 Toezicht door bevoegd gezag

Vanuit het Bbk is de gemeente bevoegd gezag voor toepassingen op de landbodem. Voor toepassingen op de waterbodem is dat het waterschap (regionale wateren) en Rijkswaterstaat (rijkswateren). De ILT is bevoegd gezag vanuit kwalibo (erkenningenstelsel) en gericht op producenten van bouwstoffen. Vanuit de Wbb zijn de provincies en 29 grotere gemeenten het bevoegd gezag. Veel taken rond toezicht en handhaving vanuit de milieuregelgeving zijn momenteel gedelegeerd vanuit gemeenten en provincies aan omgevingsdiensten.

Ambtenaren die zijn aangewezen als toezichthouder voor de Wet bodembescherming zijn ook bevoegd om toe te zien op de naleving van bepaalde verplichtingen uit hoofdstuk 2 van het Bbk (Kwalibo). Bijvoorbeeld om vast te stellen of de betrokken bedrijven beschikken over een erkenning en of de betrokken milieukundig begeleider of veldwerker op de erkenning is geregistreerd. Dit volgt uit artikel 18.4, derde lid van de Wet milieubeheer. De wijze van handhaving is nader beschreven in de handhavingsuitvoeringsmethoden (HUM’s) voor Bbk en Wbb.

1.4 Waterwet

De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. De Waterwet gaat niet meer uit van het saneren van waterbodems, maar van ingrepen in de waterbodems. De Waterwet stelt integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering' centraal. Veel activiteiten vallen onder algemene regels; in dat geval is geen watervergunning nodig en kan veelal met een melding worden volstaan.

Meer informatie over de Waterwet is te vinden op de website helpdeskwater.nl.

1.4.1 Lozingen

De lozingenbesluiten, waarmee verreweg de meeste lozingen worden geregeld, vertonen grote overeenkomsten en sluiten naadloos op elkaar aan. Ze onderscheiden zich van elkaar door de doelgroep waarop ze van toepassing zijn:

1.4.2 Keur Waterschap

Waterschappen hebben op basis van de Waterschapswet (artikel 59, lid 1 en artikel 78, lid 1) een verordenende bevoegdheid. De beheerverordening van waterschappen wordt ook wel Keur genoemd. Deze bevoegdheid is beperkt tot de specifiek opgedragen taak.

In de Keur staan de regels (met name geboden en verboden) die een waterschap hanteert bij de bescherming van onder andere waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Deze regels voorkomen dat dijken en oevers beschadigd raken. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken, rivieren en andere waterlopen. Deze regels hebben tot doel de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen.

Met de komst van de Waterwet is het waterschap bevoegd gezag geworden voor de regulering van grondwateronttrekkingen en infiltraties (op een aantal onder de provinciale bevoegdheid vallende categorieën na; zie artikel 6.4 Waterwet). De meeste grondwateronttrekkingen, zoals bronneringen of onttrekkingen voor bodem- en grondwatersanering, zijn nu gereguleerd via de Keur van het waterschap. Dit houdt in dat het in principe verboden is om zonder vergunning of melding te onttrekken.

De leggers van waterschappen geven aan waar de Keur van toepassing is. In de leggers zijn de waterstaatswerken (ligging, vorm, afmeting en constructie) binnen het gebied van het waterschap opgenomen. Er kunnen leggers zijn opgesteld voor waterkeringen, oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden en ondersteunende kunstwerken.

1.5 Overige regelgeving

Als blijkt dat er bodem mechanisch geroerd moet worden, dan is de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (Wion) van toepassing. CROW-publicatie 500 ‘Schade voorkomen aan kabels en leidingen’ geeft invulling aan de verplichtingen en verantwoordelijkheden die opgenomen zijn in de Wion.

Buiten de in dit hoofdstuk opgenomen wet- en regelgeving kunnen in zeer specifieke gevallen de Kernenergiewet, het Besluit en de Regeling stralingsbescherming en ministeriële regels van toepassing zijn. Omdat het om hoge uitzonderingen gaat, zijn wordt hier in deze richtlijn niet op ingegaan.

1.6 Overige stofspecifieke regelgeving

Buiten de generieke onderdelen van de arbo- en milieuwetgeving kunnen er stofspecifieke aanvullingen gelden. Deze zijn er onder meer voor asbest, loodwit, zeswaardig chroom en PCB. Zie ook Module 3, paragraaf 3.3.6.