Inhoud

12 Persoonlijke beschermingsmiddelen

12.1 Algemeen

Persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM) worden pas ingezet als alle andere maatregelen om het risico van blootstelling te voorkomen onvoldoende effect hebben. Ze vormen dus als het ware het laatste redmiddel om nog veilig en gezond te kunnen werken. Uit de RI&E moet blijken dat volgens de arbeidshygiënische strategie andere maatregelen niet mogelijk zijn (bij CM-stoffen) of redelijkerwijs niet haalbaar zijn.

De veiligheidskundige moet aantoonbaar onderbouwen (schriftelijk) hoe de keuze van PBM heeft plaatsgevonden. Hierbij moet ook rekening worden gehouden met de zorgplicht van de werkgever (artikel 3, Arbowet). Verder moet de veiligheidskundige bij zijn startwerkinstructie rekening houden met de mondelinge en eventuele schriftelijke instructies die horen bij de controle op, het juiste gebruik van, het onderhouden van, en het tijdig vervangen van PBM. De werkgever is niet alleen verplicht om PBM ter beschikking te stellen, maar hij moet ook zorgen voor alle middelen voor het veilig opbergen en onderhouden van PBM.

Het is van groot belang dat PBM zijn afgestemd op de situatie waarin gewerkt moet worden. Deze afstemming en de vaststelling van de noodzaak van de te gebruiken PBM vinden plaats door de bij het project betrokken veiligheidskundige (zie Module 5). Op basis van de aanwezige risico’s, de aard en de omvang van het werk zal de veiligheidskundige de beheersmaatregelen vaststellen om personen te beschermen tegen deze risico’s. Belangrijk uitgangspunt is dat eigen kleding (zoals een spijkerbroek) niet wordt gezien als beschermende kleding. Wat betreft kleding dienen de medewerkers de door de veiligheidskundige vastgestelde beheersmaatregelen op te volgen.

In Module 4 is opgenomen welke hoofdgroepen van PBM op een project moeten worden gehanteerd. De specifieke locatie en de activiteiten waarbij de PBM verplicht zijn, moeten worden beschreven in het V&G-plan.

In deze module zijn, buiten enkele taakgerelateerde PBM-pakketten, de volgende hoofdgroepen van PBM nader gespecificeerd:

12.2 PBM-pakket bij werkzaamheden in een veiligheidsklasse

Geheel afhankelijk van de werkzaamheden moet de veiligheidskundige PBM voorschrijven en deze keuze aantoonbaar onderbouwen in alle veiligheidsklassen. Hierbij valt te denken aan het onderstaande PBM-pakket:

12.3 Taakgerelateerde PBM-pakketten

Voor een aantal taken gelden specifieke PBM-pakketten. Deze zijn hieronder beschreven. Hiervoor geldt wel dat als er vanuit verschillende richtlijnen tegenstrijdige middelen worden voorgeschreven, de bij het project betrokken veiligheidskundige definitief bepaalt welke middelen op dat moment de voorkeur hebben (Arbobesluit, hoofdstuk 8, artikel 8.1, lid 3). Bij de onderbouwing van zijn keuze geeft de veiligheidskundige aan welke afwegingen een rol hebben gespeeld. Hij zorgt ervoor dat herleidbaar is dat het voorkomen dan wel beperken van het grootste risico bepalend is geweest voor zijn keuze.

Enkele voorbeelden van werkzaamheden waarbij de PBM kunnen afwijken van de reguliere PBM bij verontreinigde bodem of baggerspecie zijn:

Werkzaamheden met open vuur (lassen, branden et cetera):

Afspuiten met water:

12.4 Schoeisel

Het schoeisel zal door de veiligheidskundige afgestemd moeten zijn op de aard van de werkzaamheden in combinatie met de veiligheidsklasse. Bij werkzaamheden in de veiligheidsklassen ‘Rood’ en ‘Zwart’ is het dragen van lage werkschoenen niet toegestaan; wel in aanmerking komen bijvoorbeeld chemisch resistente laarzen (klasse S5) of andersoortig schoeisel (klasse S3) dat goed nat reinigbaar is en tot minimaal enkelhoogte reikt.

12.5 Handschoenen

Voor met name grondwerkers en de milieukundig begeleider is effectieve bescherming (van de huid) van de handen noodzakelijk. De wijze waarop de handen moeten worden afgeschermd, is afhankelijk van de aanwezige risico’s.
Veiligheidshandschoenen zijn in te delen in drie categorieën. Deze zijn gebaseerd op de ernst van het gevaar waartegen de handschoenen bescherming bieden:

Er zijn geen handschoenen die bescherming bieden tegen alle soorten chemicaliën. Het meest geschikte handschoenmateriaal moet worden gekozen op basis van het type chemische stof. Handschoenen voor werkzaamheden in verontreinigde bodem of baggerspecie zijn voornamelijk gemaakt van nitrylrubber of PVC. Bij het selecteren van handschoenen zijn onder andere de permeatietijd van belang. Afhankelijk van het materiaal van de handschoenen en de chemische stof vindt de permeatie (binnendringing) soms al na enkele seconden plaats.

Veel gebruikte handschoenen zijn:

De veiligheidskundige dient op basis van de aard en omvang van de werkzaamheden passende handbescherming te kiezen, die bovendien aansluit bij de individuele medewerker. Informatie over de keuze van het juiste type handschoen is onder andere mogelijk door gebruik te maken van de chemiekaarten of de MSDS (Material Safety Data Sheet) van de aanwezige stof. Een voorbeeld is dat bij de veiligheidsklassen ‘Rood niet-vluchtig’ en ‘Zwart niet-vluchtig’ niet standaard gebruik wordt maakt van volledig dichte PVC-handschoenen, terwijl deze bij waterbodemsanering juist wel standaard zijn. Tijdens kou en/of hitte kunnen binnen waterdichte handschoenen katoenen binnenhandschoenen worden gedragen. Let op: ook de maat van de handschoen is van belang. De maat moet zijn afgestemd op de gebruiker!

12.6 Overalls

Bij werkzaamheden in alle veiligheidsklassen zijn er veel mogelijkheden om het lichaam te beschermen met overkleding in de vorm van een overall. Afhankelijk van de risico’s van blootstelling dient men een specifiek type overall te gebruiken.

De twee meest gebruikte soorten overalls zijn:

Klik op de afbeelding voor een vergroting.

Figuur 12-1. Saneringsoverall CE-categorie 3
Bij zeer inspannende werkzaamheden wordt vochtregulerende (thermo-)onderkleding geadviseerd. Het gebruik van een overall kan op zichzelf inspannend zijn als gevolg van de beperkte damp/vochtdoorlatendheid. De veiligheidskundige zal bij het voorschrijven van de overall ook rekening moeten houden met de eventuele persoonlijke beperkingen van werknemers, de omgevingsomstandigheden (waaronder ook temperatuur) en de tijdsduur van werkzaamheden met een overall. Het beperken van de tijdsduur dat een werknemer in een overall moet werken, gaat voor op de keuze van een comfortabelere overall die minder bescherming biedt tegen de blootstellingsrisico’s. Let op: Overalls dienen voor de gebruiker een juiste maat te hebben. In de praktijk is vaak alleen de maat XXL beschikbaar. Voor medewerkers met een kleiner postuur is dit ongewenst.

12.7 Adembescherming

Adembescherming wordt alleen gebruikt als een veiligheidskundige heeft vastgesteld dat dit noodzakelijk en mogelijk is. Ademhalingsbeschermingsmiddelen werken alleen goed als ze op de juiste wijze worden geselecteerd, onderhouden en gebruikt. Welk middel moet worden gekozen, is met name afhankelijk van de soort en de concentratie stof of damp. De keuze van een verkeerd type kan leiden tot onvoldoende bescherming. Het is aan de veiligheidskundige om ervoor te zorgen dat adembescherming op de juiste wijze wordt gebruikt. Ondeskundig gebruik van adembescherming werkt juist risicoverhogend. Het dragen van adembescherming is gebonden aan een duidelijke gebruiksinstructie zodat de gebruiker goed is geïnformeerd over de beperkingen van het arbeidsmiddel dat hij gebruikt.

Omdat de pasvorm van een volgelaatsmasker een factor van belang is, is het mogelijk een zogeheten Face-Fit-test conform HSE 282/28 te laten uitvoeren. Hierin wordt vastgesteld of de gebruiker een gelaatsmasker heeft dat effectief werkt en dat goed aansluit bij de vorm van het gezicht. Het is niet verplicht een dergelijke test te laten uitvoeren, maar bij regelmatig gebruik van een volgelaatsmasker wordt een test wel geadviseerd. In bijzondere situaties kan de betrokken veiligheidskundige dit verplicht stellen.

Afhankelijk van de locatie waar gewerkt wordt en het type verontreiniging kan men gebruikmaken van afhankelijke of onafhankelijk adembescherming. Hierna wordt op beide vormen nader ingegaan.

12.7.1 Afhankelijke adembescherming

Afhankelijke adembescherming wil zeggen dat men lucht krijgt toegediend die uit de directe omgeving afkomstig is. Hierbij wordt gebruikgemaakt van een masker, een aanblaasunit en filters. Deze onderdelen moeten wat betreft merk en type goed bij elkaar aansluiten. Tests op ademhalingsapparatuur zijn namelijk uitgevoerd op de combinatie van deze artikelen. Een masker van merk/type ‘X’ mag daarom nooit worden gebruikt in combinatie met een aanblaasunit van merk/type ‘Y’ of een filter van merk/type ‘Z’, tenzij de combinatie van de gebruikte middelen in zijn geheel door een onafhankelijk testinstituut is getest en is goedgekeurd (CE-markering).

Bij aanwezigheid van vluchtige stoffen moeten de filters worden uitgebreid met actiefkool. Het soort actiefkool is afhankelijk van de soort gas of damp waartegen het filter bescherming moet bieden. Werknemers die adembescherming moeten dragen, moeten hiervoor een speciale instructie hebben ontvangen. Als de omgevingstemperatuur rond of onder het vriespunt ligt, moet een verwarmingselement in de aanblaasunit zijn opgenomen; een koude luchtstroom op het aangezicht houdt namelijk een verhoogd risico in voor onder andere het netvlies. Het geheel van masker, motorunit en verwarmingselement moet CE-goedgekeurd zijn. Vanuit de risicogestuurdheid moet er overigens naar worden gestreefd dat het werk dusdanig wordt ingepland dat blootstelling bij lagere temperaturen zo min mogelijk voorkomt.
Voor afhankelijke adembescherming komen in aanmerking:

Klik op de afbeelding voor een vergroting.
Figuur 12-2. Volgelaatsmasker met aanblaasunit

Klik op de afbeelding voor een vergroting.
Figuur 12-3. Volgelaatsmasker

Klik op de afbeelding voor een vergroting.
Figuur 12-4. Adembescherming met hoofdkap

Als bij het werken in of met asbesthoudende bodem of baggerspecie adembescherming gedragen moet worden, gebruikt men altijd een volgelaatsmasker met stoffilter P3. Bij langdurige en inspannende werkzaamheden moet een motorondersteunde filtereenheid (aanblaasunit) worden gebruikt.

12.7.2 Onafhankelijke adembescherming

Onafhankelijke adembescherming wil zeggen dat men lucht krijgt toegediend die niet uit de directe omgeving afkomstig is. Hiertoe wordt gebruikgemaakt van ademlucht (voorheen perslucht genoemd) of van leeflucht. Bij ademlucht is het masker aangesloten op een luchtcilinder, met een ademautomaat. Leeflucht is ademlucht die door een speciale luchtcompressor via een slang en ademautomaat aan de gebruiker wordt aangeboden. De luchtcompressor moet zich bevinden buiten het gebied waar verontreinigingen in de lucht aanwezig zijn.

Bij onafhankelijke adembescherming moet worden geborgd dat de ademlucht niet verontreinigd is. Er mogen geen verontreinigingen in de lucht aanwezig zijn vanuit de omgeving. Ook moet worden voorkomen dat water of olie tijdens het compressieproces in de aangeboden lucht kunnen komen. De temperatuur van de aangeboden lucht moet circa 20°C zijn en een comfortabele luchtvochtigheid hebben.

Werknemers die met ademlucht moeten gaan werken, moeten hiervoor medisch geschikt zijn bevonden (zie Module 7 ‘Gezondheidskundige zorg’). Omdat onafhankelijke adembescherming een specifiek arbeidsmiddel is, mag dit alleen worden toegepast als de gebruiker hiervoor voldoende is getraind. De SSVV-opleidingengids heeft voor onafhankelijke adembescherming de minimale opleidingscriteria gedefinieerd. De gebruiker dient in het bezit te zijn van een certificaat dat voldoet aan deze eisen.

Voor onafhankelijke adembescherming komen in aanmerking:

Bij aanwezigheid van vluchtige en/of CM-stoffen die kunnen worden opgenomen door de huid (achter de grenswaarde is dan een H opgenomen), moet een volgelaatsmasker worden gedragen en moet de capuchon van de overall aansluitend op het masker worden gedragen. De veiligheidskundige kan bij hogere concentraties het gebruik van een gaspak voorschrijven. Eventuele aanvullende maatregelen, zoals het afplakken van de overall met tape, zullen door de veiligheidskundige zo nodig worden voorgeschreven. Een dergelijke bijzondere situatie kan zich voordoen als er concentraties aanwezig zijn boven de actiewaarde en het contact met de huid op geen andere wijze kan worden voorkomen.

12.7.3 Filters algemeen

Filters kunnen bij velerlei werkzaamheden worden ingezet. De toepassing van filters is aan een groot aantal wettelijke voorwaarden gebonden. Ook moeten zij voldoen aan NEN-EN 14387. Er zijn filters voor afhankelijke en voor onafhankelijke adembescherming (leeflucht). Filters en/of afhankelijke adembescherming mogen nooit worden gebruikt wanneer een van de volgende situaties zich voordoet:

Ook in alle andere gevallen is het verstandig vooraf de veiligheidskundige te raadplegen. Deze weet welke concentraties van stoffen zijn gemeten en welke filters moeten worden toegepast. Ook kan de veiligheidskundige aangeven welke maximale gebruikstijd er voor filters geldt. De gebruikstijd is afhankelijk van een groot aantal factoren, zoals het type filter, de concentratie van verontreinigende stoffen in de lucht, de aard van de verontreinigende stof, de blootstellingduur, het soort arbeid dat wordt verricht en de luchtvochtigheid.

Filters kunnen worden ingedeeld in:

12.7.4 Stoffilters

Op stoffilters staat de aanduiding P. Deze P staat voor ‘partikel’. Dit betekent zwevend deeltje. Zwevende deeltjes kunnen onder meer voorkomen in de vorm van stofwolken, rook, mist en verbrandingsgassen. Op bepaalde stoffilters staat behalve een P ook de aanduiding SL. Hiermee wordt aangegeven dat het stoffilter bescherming biedt tegen zowel vaste deeltjes (S = solid) als vloeistofdeeltjes (L = liquid). Filters die bescherming bieden tegen inademing van stof zijn te herkennen aan de witte kleurenband om het filter.

Filters die uitsluitend bescherming bieden tegen de inademing van stof, zijn onderverdeeld in de volgende klassen:

Een filter van het type P2 biedt uiteraard ook bescherming tegen stoffen uit stofklasse 2a (P1). Hetzelfde geldt voor filters van het type P3; deze filters zijn eveneens geschikt om bescherming te bieden tegen stoffen uit de stofklassen 2a en 2b (P1 en P2). Bij het toepassen van filters bij een werk waar kans is op stofvorming moet in ieder geval een stoffilter van het type P3 worden gebruikt.
Klik op de afbeelding voor een vergroting.
Figuur 12-5. Combinatiefilter voor aanblaasunit
Klik op de afbeelding voor een vergroting.
Figuur 12-6. Combinatiefilter op masker

12.7.5 Filters tegen dampen en gassen

Op filters tegen dampen en gassen staan letters zoals A, B, E, Hg, K, NO, SX en R. Deze letters staan voor de soorten gassen en dampen waartegen bescherming wordt geboden. De letters worden elk gevolgd door een cijfer dat de capaciteitscategorie (de nominale protectiefactor ofwel NPF) aangeeft. Bij de keuze van type filter en NPF moet de veiligheidskundige ook rekening houden met de omstandigheden waar een medewerker op locatie mee te maken heeft. Aangezien de NPF is gebaseerd op testen onder laboratoriumomstandigheden, is het voor de veiligheidskundige noodzakelijk om in zijn selectie en onderbouwing rekening te houden met de TPF (Toegepaste Protectiefactor). De TPF-waarden zijn nader beschreven in de NEN-EN529.

Het type filter wordt ook aangeduid door een of meer kleurenbanden. Bij de keuze van een filter is het uiteraard van belang dat het filter bescherming biedt tegen alle stoffen en/of dampen/gassen waartegen bescherming nodig is. Er bestaan filters die bescherming bieden tegen combinaties van stoffen en dampen/gassen. Zie tabel M12-1.

Tabel M12-1. Overzicht van filtertypen die bescherming bieden tegen gassen en dampen

TypeKleurOmschrijving
AbruinOrganische dampen van oplosmiddelen, dampen van koolwaterstoffen, esters, alcoholen en organische nitroverbindingen. Kookpunt ≥ 65ºC.
AXbruinOrganische dampen van oplosmiddelen, dampen van koolwaterstoffen, esters, alcoholen en organische nitroverbindingen. Kookpunt ≤ 65ºC.
BgrijsZure dampen en gassen, halogenen, halogeenkoolwaterstofverbindingen, organische zuren, metaaldampen en nitreuze gassen, met uitzondering van koolmonoxide.
EgeelZwaveldioxide en anorganische dampen van zuren.
KgroenAmmoniak.
NOblauw-witStikstofoxiden.
HgroodKwikdamp.
RoranjeRadioactief jodium en verbindingen daarvan.
SxvioletSpecifieke gassen en dampen.

Voorbeeld
De aanduiding A2B2E2K1/P3 geeft aan dat het gaat om een combinatiefilter dat bescherming biedt tegen de inademing van gassen en dampen A, B, E en K en stof P3 tot concentraties zoals aangegeven door de capaciteitscategorie (2 voor A, B en E, en 1 voor K). Het filter is herkenbaar aan de combinatie van een bruine, grijze, gele, groene en witte kleurenband. Dit combinatiefilter wordt meestal toegepast wanneer de aard van de verontreiniging onbekend is of wanneer vaten, blikken, bussen en dergelijke met onbekende inhoud worden aangetroffen.


Filters ter bescherming tegen dampen en gassen zijn qua capaciteit ingedeeld in drie categorieën, die worden aangeduid met cijfers. Deze capaciteitscategorieën zijn:

Op de chemiekaart van een stof staat aangegeven welk type filter bescherming biedt tegen deze stof. Als meerdere stoffen bepalend zijn, moet een filtertype gekozen worden dat is afgestemd op al deze stoffen.


Voorbeeld 1
Bij verontreinigingen op gasfabriekterreinen worden vaak filters met de combinatie A2P3 toegepast. Het is echter de vraag is of dit een juiste keuze is. Op deze terreinen komen in veel gevallen namelijk vooral de stofgroepen BTEX (benzeen, tolueen, xyleen en ethylbenzeen) en PAK (polycyclische aromatische koolwaterstoffen) voor in combinatie met zware metalen. Als er vrij cyanide aanwezig is, of als complex cyanide onder invloed van temperatuur kan worden omgezet in vrij cyanide, moet een filter met de combinatie A2B2P3 worden gekozen.



Voorbeeld 2
Bij baggeren komen vaak zware metalen, PCB’s en minerale olie voor. Hiervoor dient een P3-filter gebruikt te worden. Vaak komt ook H2S als natuurlijk gas voor. In dat geval moeten filters met de combinatie A/BP3 worden toegepast. Als ook vinylchloride voorkomt, moet minimaal een filter met de combinatie AX-BP3 worden gekozen. De keuze van een combinatiefilter moet daarnaast worden afgestemd op de benodigde capaciteit (zie het overzicht onder tabel M12-1). Bij aerosolen moet een stoffilter worden toegepast met een SL-aanduiding.


Of gekozen moet worden voor een volgelaatsmasker of voor een halfgelaatsmasker met een op de werkzaamheden en de verontreiniging afgestemd filter, hangt af van de hoogte van de concentraties die kunnen voorkomen, de mogelijkheid dat de stof door de huid het lichaam binnendringt (in de grenswaardenlijst aangeduid met H) en/of de aanwezigheid van kankerverwekkende stoffen. In de laatste twee gevallen moet altijd worden gekozen voor volgelaatsmaskers (dus ook bij aanwezigheid van asbest). Bij langdurige en inspannende werkzaamheden moet een motorondersteunde filtereenheid (aanblaasunit) worden gebruikt.

Het is niet toegestaan om met adembescherming materieel te bedienen vanuit een cabine. Indien het technisch niet mogelijk is een cabine op materieel te plaatsen, kan in overleg met de veiligheidskundige besloten worden dat het dragen van PBM’s, inclusief adembescherming op het materieel noodzakelijk is. Op aangeven van de veiligheidskundige moet in de cabine van een kraan een (vlucht)masker aanwezig zijn dat is afgestemd op de verontreiniging. Dit kan worden gebruikt bij het doorslaan van filters, het uitvallen van het filteroverdruksysteem of calamiteiten waarbij de filteroverdruksituatie moet worden verlaten terwijl men zich binnen de verontreinigde zone bevindt.

12.8 Gebruik van PBM

Als bij een project grondroerende werkzaamheden moeten worden uitgevoerd, zal de betrokken veiligheidskundige voor de operationele medewerkers waar nodig beheersmaatregelen voorschrijven. Deze hebben in de eerste plaats betrekking op de reguliere werkzaamheden. Als er met PBM zal worden gewerkt, zijn vanzelfsprekend de hiervoor geldende gedragsregels van toepassing. Het gebruik van PBM onder reguliere omstandigheden wordt nader toegelicht in 12.8.1.

Tijdens een project zullen of kunnen ook niet-reguliere werkzaamheden plaatsvinden. Hierbij valt te denken aan speciale activiteiten in ruimten waar een verhoogd risico geldt. Maar ook inspectie, onderhoud en reparatie van materieel dat in het project wordt ingezet, al dan niet voorzien, wordt gerekend tot de niet-reguliere werkzaamheden. Hiervoor zal de veiligheidskundige aanvullende beheersmaatregelen opstellen. Het gebruik van PBM onder niet-reguliere omstandigheden wordt kort toegelicht in 12.8.2.

12.8.1 Reguliere omstandigheden

Enkele voorbeelden van PBM die op het werk kunnen worden toegepast, zijn:

PBM moeten op het werk blijven. Er moeten altijd voldoende, passende en schone overalls aanwezig zijn. Hetzelfde geldt voor de overige in het V&G-plan of de taakgerelateerde opgave van risico’s en beheersmaatregelen vastgestelde middelen.

Gebruikte beschermende kleding moet altijd gescheiden worden gehouden van schone ruimten. Als de veiligheidskundige een drietraps sanitaire unit heeft voorgeschreven, moet de beschermende kleding in de vuile ruimte blijven. In deze ruimte moet de vuile wegwerpkleding in een container met plastic zak worden gedaan. Beschermende kleding voor meermalig gebruik moet namens of door de uitvoerende partij worden gereinigd.

Volgens het Arbobesluit (artikel 8.1, lid 5) moeten alle medewerkers hun eigen PBM ontvangen (omdat deze middelen afgestemd (kunnen) zijn op één specifieke persoon). Indien de omstandigheden vereisen dat een persoonlijk beschermingsmiddel door meer dan één persoon wordt gebruikt, worden doeltreffende maatregelen genomen om gezondheids- en hygiëneproblemen voor de onderscheiden gebruikers te voorkomen. De veiligheidskundige moet onderbouwen waarom gedeeld gebruik wordt toegestaan.

Persoonlijke beschermingsmiddelen moeten gecontroleerd worden op een goede werking, conform de gebruikshandleiding. Bij gebreken moeten zij direct worden vervangen of gerepareerd.

12.8.2 Inspectie, onderhoud en reparatie

Bij inspecties en bij onderhouds- en reparatiewerkzaamheden waarbij contact met verontreinigde bodem of baggerspecie mogelijk is en dit contact niet door afschermende maatregelen kan worden voorkomen, moet een PBM-pakket worden gedragen dat de veiligheidskundige voor het betreffende werk heeft voorgeschreven.

Als onderhoud nodig is aan materieel dat vooraf niet kan worden gereinigd, moet de veiligheidskundige vooraf het blootstellingsrisico bepalen. Op basis daarvan wordt vervolgens een passend pakket PBM voorgeschreven.
In de praktijk vormen de contactmomenten bij onderhoud en reparatie een van de grootste besmettingsrisico’s.

Hierbij kan worden gedacht aan een machinist of monteur die, staande op vuile rupsbanden, de machine nog even doorsmeert of gasolie tankt. Of aan een onderhoudsmonteur die midden in de verontreinigde zone een grote beurt uitvoert of een motorstoring probeert te verhelpen.