In deze module wordt de deskundigheid beschreven die ingezet moet worden bij de voorbereiding en uitvoering van de werkzaamheden. Daarbij worden de opleidings- en ervaringseisen benoemd voor de verschillende werkzaamheden, veiligheidsklassen en risico’s.
De volgende opleidingen gerelateerd aan veiligheid en gezondheid worden onderscheiden:
In deze publicatie wordt de AH gelijkgesteld aan de HVK en MoSHE en wordt de MAH gelijkgesteld aan de MVK. In de teksten van deze richtlijn wordt generiek gesproken over veiligheidskundige; daarmee kan ook een arbeidshygiënist worden bedoeld.
Welke deskundige wanneer ingezet moet worden, hangt af van de verontreiniging die op de locatie aanwezig is.
Ten aanzien van de milieukundige belangen kunnen er bij projecten ook nog andere verplichte functies voorkomen, zoals:
Deze functies en de kwalificatie-eisen voor de desbetreffende functionarissen zijn nader beschreven in de diverse beoordelingsrichtlijnen.
In de ontwerpfase worden zowel de voorlopige veiligheidsklasse als de voorlopige beheersmaatregelen vastgesteld. Deze vormen het startpunt voor een bestek. Dit wordt verder uitgewerkt in het V&G-plan, waarvoor de Opdrachtgever verantwoordelijk is. Voor de uitwerking wordt gebruikgemaakt van de in Module 3 beschreven methodiek ‘Vaststelling van de veiligheidsklasse’. Het niveau van deskundigheid van de betrokken veiligheidskundige in de ontwerpfase is gelijk aan dat in de uitvoeringsfase. De voorlopige veiligheidsklasse hoeft niet bepaald te worden door de veiligheidskundige, maar de inzet van deze deskundigheid in zowel ontwerpfase als uitvoeringsfase is verplicht. Dit is met name relevant omdat de veiligheidsklasse en de beheersmaatregelen niet direct aan elkaar te koppelen zijn en er inhoudelijke discussies kunnen ontstaan over de toe te passen beheersmaatregelen. Het niveau van de minimale deskundigheid is opgenomen in tabel M5-1. De hier genoemde veiligheidskundige is bij voorkeur betrokken bij het opstellen van het V&G-plan conform Module 6 ‘V&G-plan, dossier en arbotechnisch logboek’.
Er moet ook in de ontwerpfase een expliciete onderbouwing aanwezig zijn die is opgesteld door de betrokken veiligheidskundige, inclusief een motivering van voorgestelde voorlopige beheersmaatregelen. Uiteindelijk is het echter aan de uitvoerende partij om de definitieve beheersmaatregelen te onderbouwen, met name daar waar men afwijkt van de voorlopige beheersmaatregelen.
Bij de werkvoorbereiding van de uitvoering wordt de voorlopige veiligheidsklasse gecontroleerd en definitief vastgesteld middels de methode in Module 3. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij de Opdrachtnemer. De voorlopige veiligheidsklasse wordt gevalideerd door een veiligheidskundige. Deze bepaalt of de voorlopige veiligheidsklasse juist is bepaald. De veiligheidskundige bepaalt de definitieve veiligheidsklasse en het risicogestuurde maatregelenpakket. Elk besluit van de veiligheidskundige binnen een project moet aantoonbaar onderbouwd zijn.
In tabel M5-1 wordt aangegeven welke deskundigheid in de verschillende fases vereist is bij de validatie van de veiligheidsklasse en het bepalen en borgen van de te treffen maatregelen.
Tabel M5-1. Vereiste minimaal benodigde niveau van deskundigheid t.b.v. veiligheid en gezondheid
Tabel M5-1. Vereiste minimaal benodigde niveau van deskundigheid t.b.v. veiligheid en gezondheid
| Inzet deskundige | Oranje | Rood niet-vluchtig | Rood vluchtig | Zwart niet-vluchtig | Zwart vluchtig |
| Vaststellen (definitieve) veiligheidsklasse | MVK | HVK | HVK | HVK | HVK |
| Aansturing van begeleiding | MVK | MVK | HVK | HVK | HVK |
| Toezicht op uitvoering | DLP | DLP | R-DLP | R-DLP | R-DLP |
| Uitvoering (operationele medewerkers) | Basiskennis | OPM* | OPM* | OPM* | OPM* |
| * of gelijkwaardig middels relevante ervaring in het werken met verontreinigde grond/waterbodem of baggerspecie | |||||
Bij alle werkzaamheden in bodem of baggerspecie zijn risico’s aanwezig. Voorbeelden hiervan zijn onverwachte verontreinigingen, kabels en leidingen en niet gesprongen explosieven. Indien er is vastgesteld dat er milieukundig en veiligheidskundig geen sprake is van verontreinigde bodem of baggerspecie, gelden er geen specifieke eisen voor beheersmaatregelen of deskundigheid, anders dan de voor die werkzaamheden noodzakelijke kennis en ervaring. Wel wordt van alle medewerkers die werkzaamheden uitvoeren in de bodem – zoals hoveniers, agrariërs en stratenmakers – verwacht dat zij op de hoogte zijn van locatie- en projectspecifieke bijzonderheden. Er wordt basiskennis verondersteld om bijvoorbeeld risico’s te herkennen zoals die voorkomen bij verontreinigde bodem, maar ook om bedacht te zijn op de mogelijke aanwezigheid van kabels en leidingen. Zie ook de CROW-publicaties 335 ‘Werken met stabiele grond’ en 500 ‘Schade voorkomen aan kabels en leidingen’. Bij de aanvang van projecten mag verwacht worden dat de medewerkers zich op de hoogte hebben laten stellen van de diverse risico’s. De opleidings- en ervaringseisen van de diverse functies en veiligheidskundigen zijn beschreven in paragraaf 5.4. Het uitvoeren van een (verkennend) bodemonderzoek ter vaststelling van de bodemkwaliteit valt niet onder een specifieke veiligheidsklasse; zie ook het procesdeel, paragraaf 2.2.
Binnen de veiligheidsklasse ‘Oranje’ is er geen onderscheid in deskundigheid tussen de specificaties ‘niet-vluchtig’ en ‘vluchtig’. Dit hangt samen met het lagere risiconiveau. De concentratie verontreinigende stof ligt voor niet-vluchtige stoffen nog beneden SRCarbo en voor vluchtige stoffen beneden de Interventiewaarde. De DLP houdt eventuele tijdens het werk optredende afwijkingen bij. Dit kan middels een arbotechnisch logboek dat deel uitmaakt van het opgestelde V&G-plan; zie Module 6.
De DLP en MVK hebben bij lang lopende projecten (langer dan 1 week) minimaal eenmaal per week contact over de stand van zaken van het project en over de vraag of de vastgestelde maatregelen nog van toepassing zijn. Als er vreemde geuren worden waargenomen, of als blijkt dat de verontreiniging in werkelijkheid afwijkt van hetgeen op basis van de onderzoeksresultaten werd aangenomen, neemt de DLP direct contact op met de MVK. De DLP dient bij de grondroerende activiteiten continu op het project aanwezig te zijn. Een project kan bestaan uit meerdere werklocaties.
Bij heroverweging van de veiligheidsklasse, onder andere op basis van de resultaten van luchtkwaliteitsmetingen, neemt de MVK contact op met de HVK. Bij werkzaamheden in de klasse ‘Oranje’ mag de DLP een combifunctie zijn, mits dit door de veiligheidskundige is bevestigd. De startwerkinstructie wordt verzorgd door de MVK of wordt uitgevoerd door een DLP onder de verantwoordelijkheid van de MVK. De vervolginstructies aan bezoekers of personen die later op het werk komen wordt verzorgd door de DLP.
Bij werkzaamheden in de klasse ‘Rood niet-vluchtig’ houdt de DLP het arbotechnisch logboek bij; zie Module 6 voor een nadere toelichting. Hij ziet erop toe dat de in het V&G-plan genoemde maatregelen op een juiste wijze worden uitgevoerd. De DLP verricht de eventuele metingen (lucht/bodemvocht). De DLP en MVK hebben minimaal eenmaal per week contact over de stand van zaken van het project en over de vraag of de vastgestelde maatregelen nog van toepassing zijn. De DLP dient continu op het project aanwezig te zijn. De betrokken MVK bepaalt op basis van de projectrisico’s in overleg met de HVK in welke mate hij op het project aanwezig dient te zijn. De startwerkinstructie wordt verzorgd door de MVK. De op het project aanwezige DLP mag een combifunctie vervullen, mits de aard en omvang dit toelaten; de rol van de DLP is leidend. De afweging hieromtrent wordt gemaakt door de HVK.
Als er vreemde geuren worden waargenomen, of als blijkt dat de verontreiniging in werkelijkheid afwijkt van hetgeen op basis van de onderzoeksresultaten werd aangenomen, dan worden de volgende stappen genomen: werkzaamheden stilleggen (werkplek veiligstellen); informeren veiligheidskundige; informeren Opdrachtgever; verontreiniging laten onderzoeken; maatregelenpakket door veiligheidskundige laten heroverwegen. Dit betekent dat óf de veiligheidsklasse moet worden aangepast en/of andere beheersmaatregelen door de HVK moeten worden vastgesteld.
Indien onverwachte verontreinigingen worden aangetroffen en dit blijken na onderzoek carcinogene of mutagene stoffen te zijn, of de mate van ventilatie in de werksituatie wijkt af van die in de aanvangssituatie (zie Module 3), dan kan de veiligheidsklasse worden opgeschaald naar ‘Rood vluchtig’, ‘Zwart niet-vluchtig’ of ‘Zwart vluchtig’. Dit kan consequenties hebben voor de verlangde deskundigheid; zie verder tabel M5-1. Terugschalen naar de oorspronkelijke veiligheidsklasse is alleen mogelijk door de verantwoordelijke HVK.
Bij werkzaamheden in de klasse ‘Rood vluchtig’ houdt de R-DLP het arbotechnisch logboek bij en ziet erop toe dat de in het V&G-plan genoemde maatregelen op een juiste wijze worden uitgevoerd. De R-DLP verricht de metingen (lucht/bodemvocht). Het interval hiervoor wordt bepaald door de HVK. De R-DLP en HVK hebben minimaal eenmaal per week contact over de stand van zaken van het project en over de vraag of de vastgestelde maatregelen nog van toepassing zijn. De R-DLP dient continu op het project aanwezig te zijn. De betrokken veiligheidskundige bepaalt op basis van de projectrisico’s in welke mate hij op het project aanwezig dient te zijn; als richtlijn geldt een halve dag per week. De startwerkinstructie wordt verzorgd door de HVK. De op het project aanwezige R-DLP mag geen combifunctie vervullen die hem afhoudt van een effectieve uitvoer van zijn veiligheidstaak. De afweging hieromtrent wordt gemaakt door de HVK.
De te volgen werkwijze bij het waarnemen van vreemde geuren of andere signalen die wijzen op een andere situatie dan waar de veiligheidskundige oorspronkelijk van was uitgegaan, is beschreven in 5.3.3.
Bij werkzaamheden in de klasse ‘Zwart niet-vluchtig’ houdt de R-DLP het arbotechnisch logboek bij en ziet erop toe dat de in het V&G-plan genoemde maatregelen op een juiste wijze worden uitgevoerd. De R-DLP verricht de metingen (bodemvocht). De R-DLP en HVK hebben minimaal eenmaal per week contact over de stand van zaken van het project en over de vraag of de vastgestelde maatregelen nog van toepassing zijn. De R-DLP dient continu op het project aanwezig te zijn. De betrokken veiligheidskundige bepaalt op basis van de projectrisico’s in welke mate hij op het project aanwezig dient te zijn: als richtlijn geldt een halve dag per week. De startwerkinstructie wordt verzorgd door de HVK. De op het project aanwezige R-DLP mag geen combifunctie vervullen die hem afhoudt van een effectieve uitvoer van zijn veiligheidstaak. De afweging hieromtrent wordt gemaakt door de HVK.
Ingeval van ‘Zwart niet-vluchtig’ kan een voor het werk verantwoordelijke HVK onder zijn aantoonbare begeleiding een MVK werkzaamheden laten verrichten. De HVK dient gedurende het project beschikbaar te zijn voor ondersteuning en dient voor het verleggen van activiteiten een verklaring op te stellen. De HVK blijft te allen tijde verantwoordelijk als deskundige.
De te volgen werkwijze bij het waarnemen van vreemde geuren of andere signalen die wijzen op een andere situatie dan waar de veiligheidskundige oorspronkelijk van was uitgegaan, is beschreven in 5.3.3.
Als er sprake is van asbest in een concentratie boven de Interventiewaarde, is voor de begeleiding een gecertificeerde veiligheidskundige vereist met minimaal niveau HVK. Certificering kan geschieden door een door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) aangewezen instelling.
Bij werkzaamheden in de klasse ‘Zwart vluchtig’ houdt de R-DLP het arbotechnisch logboek bij en ziet erop toe dat de in het V&G-plan genoemde maatregelen op een juiste wijze worden uitgevoerd. De R-DLP verricht de metingen (lucht/bodemvocht). Als er vreemde geuren worden waargenomen, of als blijkt dat de verontreiniging in werkelijkheid afwijkt van hetgeen op basis van de onderzoeksresultaten werd aangenomen, neemt de R-DLP direct contact op met de veiligheidskundige.
De R-DLP en HVK hebben minimaal eenmaal per week contact over de stand van zaken van het project en over de vraag of de vastgestelde maatregelen nog van toepassing zijn. De R-DLP dient continu op het project aanwezig te zijn. De HVK moet minimaal eenmaal per week een dagdeel op de locatie aanwezig zijn. De startwerkinstructie wordt verzorgd door de HVK. De op het project aanwezige R-DLP mag geen combifunctie vervullen die hem afhoudt van een effectieve uitvoer van zijn veiligheidstaak. De afweging hieromtrent wordt gemaakt door de HVK.
Om de veiligheid binnen projecten te kunnen waarborgen, is het noodzakelijk dat functionarissen van elk niveau beschikken over minimale kennis en deskundigheid. Het volgende overzicht geeft weer welke kennis en deskundigheid horen bij de diverse functies.
Basiskennis
Voor bedrijven is het noodzakelijk een bedrijfseigen instructie op te zetten die aansluit bij de activiteiten en voorkomende risico’s. Onderwerpen die hierin bij de niet door een veiligheidsklasse gekenmerkte activiteiten aan de orde kunnen komen, zijn onder meer:
Eisen OPM
De OPM beschikt over praktische basiskennis om op een verantwoorde manier om te gaan met de mogelijke blootstellingsrisico’s als gevolg van werkzaamheden in bodem of baggerspecie. Hierbij is het van belang dat medewerkers aanspreekbaar zijn op hun handelen en oog hebben voor veiligheid en gezondheid van zichzelf en die van collega’s. De eisen zijn beschreven in het procesdeel, Bijlage IV.
Eisen DLP
De DLP beschikt over praktische basiskennis om op een verantwoorde manier om te gaan met de mogelijke blootstellingsrisico’s als gevolg van werkzaamheden in bodem of baggerspecie en om hierop te sturen. Hij bezit een bewijs van opleiding waarmee wordt aangetoond dat het bijbehorende examen met een positief resultaat is afgerond. De opleiding en het bijbehorende examen moeten voldoen aan de eisen zoals beschreven in het procesdeel, Bijlage V.
Eisen R-DLP
De R-DLP beschikt over praktische basiskennis om op een verantwoorde manier om te gaan met de mogelijke blootstellingsrisico’s als gevolg van werkzaamheden in bodem of baggerspecie, om hierop te sturen en om effectief luchtkwaliteitsmetingen uit te voeren. Hij bezit een certificaat waarmee wordt aangetoond dat het door CROW afgenomen examen met positief resultaat is afgerond. Dit resultaat is tevens herleidbaar in een door CROW beheerd register. De toets- en eindtermen van het examen zijn beschreven in het procesdeel, Bijlage VI.
Opleidings- en ervaringseisen MVK en MAH
Opleidings- en ervaringseisen HVK
Opleidings- en ervaringseisen AH
Opleidings- en ervaringseisen MOSHE