Werkzaamheden die vallen binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn worden op basis van bijlage II bij EU-richtlijn 92/57/EEG gezien als een activiteit die voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers bijzondere gevaren met zich meebrengt. In het Arbobesluit (hoofdstuk 2, afdeling 5) zijn de verplichtingen opgenomen van de Opdrachtgever, de ontwerpende partij en de uitvoerende partij met betrekking tot het opstellen van het V&G-plan en het V&G-dossier. De vorm van het V&G-plan (voor zowel ontwerpfase als uitvoeringsfase) is vrij, maar de voorgeschreven elementen moeten wel zijn opgenomen. Voor elke bouwfase en voor elke bewerking van verontreinigde (water)bodem moet, voor aanvang van de werkzaamheden, een aantal documenten worden opgesteld. De volgende documenten moeten gedurende de werkzaamheden op het werk aanwezig zijn en actueel worden gehouden:
In tabel M6-1 zijn de V&G-verplichtingen voor de diverse bouwwerkcategorieën aangegeven.
| Categorie A | Categorie B | Categorie C | |
| werk met een bepaald aantal werknemers en/of bepaalde duur | werk met een bijzonder risico | werken niet behorende tot de categorieën A en B | |
| Meerdere werkgevers | a. kennisgeving b. V&G-coördinatoren c. V&G-plan d. V&G in bestek e. contractbepaling f. dossier | a. - b. V&G-coördinatoren c. V&G-plan d. V&G in bestek e. contractbepaling f. dossier | a. - b. V&G-coördinatoren c. - d. - e. contractbepaling f. dossier |
| Eén werkgever | a. kennisgeving b. - c. V&G-plan d. V&G in bestek e. - f. - | a. - b. - c. V&G-plan d. V&G in bestek e. - f. - | a. - b. - c. - d. - e. - f. - |
Let op: Alle werken met een asbestconcentratie boven de Interventiewaarde moeten bij I-SZW worden gemeld. Voor het uitvoeren van een (nader) asbestonderzoek geldt een meldingsplicht.
Let op: Bij het werken met een bijzonder risico worden alleen die activiteiten beschouwd waarbij daadwerkelijk sprake is van een (water)bodemverontreiniging waarvan is vastgesteld dat de concentratie verontreinigende stoffen groter is dan 75% van de SRC-arbo voor niet-vluchtige stoffen en groter dan de Tussenwaarde voor vluchtige stoffen.
Tijdens de ontwerpfase moet conform tabel M6-1 een V&G-plan ontwerpfase worden opgesteld. Dit moet minimaal bevatten:
Het hier beschreven V&G-plan beschrijft de invulling zoals noodzakelijk is bij het werken met een bijzonder risico. (Cat. B) Dit V&G plan voor een werk met een bijzonder risico kan als bijlage toegevoegd worden bij een werk in bouwcategorie A. Het eventuele saneringsplan en de analyseresultaten van de bodemonderzoeken moeten bij het V&G-plan worden gevoegd, eventueel aangevuld met een omgevingsplan.
Het V&G-plan wordt opgesteld door of onder verantwoordelijkheid van de V&G-coördinator Ontwerpfase. Het is aan de Opdrachtgever om het V&G plan zo volledig mogelijk op te (laten) stellen. Daarbij dienen alle restrisico’s en alle bijbehorende beheersmaatregelen te worden beschreven vanuit de arbeidshygiënische strategie. Aangezien de beheersmaatregelen sterk afhankelijk zijn van de wijze van werken door de uitvoerende partij, kunnen de door de Opdrachtgever opgegeven beheersmaatregelen als suggesties worden gezien. Hier dient de aannemer wel rekening te houden met het minimale niveau wat door de Opdrachtgever is voorgesteld, aanpassing van de voorstellen kan enkel indien de wijzigingen in een veiligere werkwijze resulteren. De uiteindelijke vaststelling van de beheersmaatregelen is aan de uitvoerende partij.
De restrisico’s kunnen door de uitvoerende partij worden beschreven in het V&G-plan, met de daarbij behorende passende maatregelen.
In de ontwerpfase moet ook het V&G-dossier worden opgesteld door of onder verantwoordelijkheid van de V&G-coördinator Ontwerpfase. Als de Opdrachtgever een risico verwacht ten opzichte van de omgeving, moet hij vooraf contact opnemen met deskundige partijen om de noodzakelijke maatregelen te bepalen. Deze moeten deel uitmaken van het V&G-plan.
Voor werkzaamheden behorend tot bouwcategorie C, die conform deze richtlijn niet vallen in een veiligheidsklasse, gelden veel minder verplichtingen. Wel moet ook bij deze werkzaamheden worden voldaan aan artikel 5 van de Arbowet. Daarin zijn de verplichtingen van de werkgever opgenomen, waaronder:
In de uitvoeringsfase moet, voorafgaand aan de werkzaamheden, het V&G-plan worden aangevuld. Het V&G-plan Uitvoeringsfase moet ten minste bevatten:
Het V&G-plan wordt na controle van de veiligheidsklasse aangevuld met de volgende gegevens:
Bij vluchtige en CM-stoffen moet bovendien worden vermeld:
De definitieve veiligheidsklasse wordt in het V&G-plan opgenomen en schriftelijk vastgesteld door de veiligheidskundige voor de uitvoeringsfase van het project. De uitvoerende partij vult het V&G-plan aan. Dit gebeurt onder verantwoordelijkheid van de V&G-coördinator Uitvoeringsfase. Het V&G-plan moet ter kennisname worden aangeboden aan de directievoerder/UAV/Opdrachtgever, welke zich vervolgens aantoonbaar akkoord verklaart met het V&G-plan. Om het V&G-plan functioneel te laten zijn, dient dit gedurende deze fase te zijn afgestemd op de daadwerkelijk uit te voeren werkzaamheden. Omdat het V&G-plan verder vormvrij is, kan de beheersing van risico’s worden geborgd middels overige documentatie. Het is mogelijk te verwijzen naar elders opgestelde relevante documenten op voorwaarde dat deze gedurende het werk inzichtelijk, actueel en op de locatie beschikbaar zijn.
Op de projectlocatie dient altijd een actueel exemplaar van het V&G-plan aanwezig te zijn (mogelijk digitaal). Tijdens de uitvoeringsfase moet het V&G-plan en V&G-dossier worden aangepast indien de voortgang van het bouwwerk of onderdelen daarvan daartoe aanleiding geven
Vanaf de dag dat met de werkzaamheden wordt begonnen, wordt onder verantwoordelijkheid van de DLP/R-DPL een arbotechnisch logboek bijgehouden. Dit logboek staat los van de registraties die vanuit milieugerelateerde schema’s zoals BRL 7000 worden verlangd. Wel is het uit praktisch oogpunt aannemelijk dat wordt volstaan met één logboek waarmee aan alle verplichtingen wordt voldaan. Het logboek wordt dagelijks ondertekend door de DLP/R-DLP. Indien er gebruik wordt gemaakt van een digitaal logboek, is het aan de uitvoerende partij om een passend alternatief voor de ondertekening te realiseren.
Hierna wordt aangegeven welke informatie het arbotechnisch logboek moet bevatten. Daarbij is onderscheid gemaakt naar algemene informatie (eenmalig te vermelden), tijdsafhankelijke informatie (dagelijks te vermelden) en informatie bij bijzondere situaties (indien van toepassing).
Algemene informatie
Tijdsafhankelijke informatie
Informatie bij bijzondere situaties
Bewaartijden
Het volledige arbotechnische logboek moet minimaal 3 jaar worden bewaard. Ingeval van aannemelijke blootstelling aan carcinogene en mutagene stoffen moet de werkgever de desbetreffende gegevens na de laatste blootstelling aanmerkelijk langer bewaren (zie de volgende voorbeelden). Uiteraard moet hierbij de Wet bescherming persoonsgegevens in acht worden genomen.
De minimaal te bewaren gegevens betreffen:
Enkele voorbeelden van bewaartermijnen:
Veiligheids- en gezondheidsdossiers zijn de belangrijkste ondersteunende documenten bij het inventariseren en beheersen van risico’s tijdens latere ontwerp- en bouwwerkzaamheden in de beheer- en onderhoudsfase, nadat een project is opgeleverd door de uitvoerende partij. Deze dossiers spelen tijdens de gehele levenscyclus van een bouwwerk een belangrijke rol, tot aan de eventuele ontmantelings- en sloopfase toe. Ze kunnen beheerders en gebruikers van de locatie helpen bij de zorg voor een veilige uitvoering van latere inspectie-, reinigings- en onderhoudswerkzaamheden en/of bij sloop en/of ontmanteling. De verplichting tot het samenstellen van het V&G-dossier is opgenomen in het Arbobesluit (afdeling Bouwproces, artikel 2.29, artikel 2.30, lid c en artikel 2.34, lid g).
Het V&G-dossier bevat ten minste specificaties voor de verontreinigde bodem of baggerspecie. Deze bestaan uit:
Het is mogelijk dat er, aansluitend op bovenstaande opsomming, vanuit het project nog andere relevante informatie wordt opgenomen in het V&G-dossier. Die informatie blijft in deze module buiten beschouwing.
Van de mogelijke verontreinigingen die zijn achtergebleven, moet worden aangegeven of zij zijn geïsoleerd, waarmee dit gebeurd is, op welke diepte, en om welke toxische stoffen (analysegegevens) in welke concentraties het gaat. Als partijen bodem van de eigen locatie zijn gebruikt, moet zijn opgenomen waar welke partijen zijn toegepast, inclusief een bovenaanzicht en relevante dwarsdoorsneden en de bijbehorende analyseresultaten. Als er vervolgens activiteiten worden uitgevoerd op de betreffende locatie, is bekend welke stoffen kunnen worden aangetroffen. Hierdoor kunnen voor die activiteiten de juiste maatregelen worden getroffen.
Na afloop van de werkzaamheden wordt het V&G-dossier overhandigd of overgedragen aan de Opdrachtgever. Deze is er verantwoordelijk voor dat gebruikers/beheerders van de locatie kunnen beschikken over de inhoud van het V&G-dossier. Het V&G-dossier moet gedurende de hele levensduur van het project worden bijgehouden.
In het Arbobesluit (hoofdstuk 2, afdeling 5, artikel 2.30) is opgenomen dat de V&G-coördinator Ontwerpfase en de V&G-coördinator Uitvoeringsfase verantwoordelijk zijn voor het opstellen en/of aanvullen van het V&G-dossier. Het opstellen moet gebeuren in opdracht van de Opdrachtgever. Als het dossier in de ontwerpfase nog niet compleet kan worden afgerond, bijvoorbeeld vanwege nog niet vastgestelde constructies, bouwstoffen of bouwmethoden, moet de coördinerende aannemer het V&G-dossier tijdens de uitvoering verder in- of aanvullen. Deze verplichting geldt ook als tijdens de uitvoering op relevante punten wordt afgeweken van het ontwerp.
Als op een locatie een sanering plaatsvindt onder de Wet bodembescherming (Wbb) of het Besluit uniforme saneringen (BUS), dient de milieukundig begeleider tijdens deze sanering een logboek bij te houden. Na afloop wordt een evaluatieverslag gemaakt.
Lang niet altijd worden bij een sanering alle verontreinigingen volledig weggenomen. In het evaluatieverslag moet daarom worden vermeld of er sprake is van een restverontreiniging, of er gebruiksbeperkingen gelden en of nazorg nodig is (bijvoorbeeld het in stand houden van de leeflaag). Deze informatie is van groot belang voor het toekomstig gebruik van de locatie en voor toekomstige grondroerende activiteiten.
Het evaluatieverslag wordt, overeenkomstig BRL 6000, door de milieukundig begeleider gerapporteerd aan de Opdrachtgever en vervolgens overgelegd aan het Wbb-bevoegd gezag. Laatstgenoemde beoordeelt het evaluatieverslag en registreert in zijn bodeminformatiesysteem dat een sanering is uitgevoerd en dat een evaluatieverslag beschikbaar is. Deze informatie is ook zichtbaar op de website www.bodemloket.nl of op de eigen website van de provincie of gemeente.
Bij aanwezigheid van een restverontreiniging boven de Interventiewaarde waarbij tevens sprake is van nazorg, volgt ook vanuit de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen een registratie in het (kadastrale) beperkingenregister. Het is zeer belangrijk om bij toekomstige grondroerende activiteiten de resultaten van het evaluatieverslag op te vragen.