Woord vooraf

De problematiek van ‘het werken in en met verontreinigde bodem’ blijft een uitdaging. Al in de jaren 80 van de vorige eeuw is onderkend dat bij het opruimen van verontreinigde bodem medewerkers een risico lopen. Het toenmalige veiligheidsinstituut heeft daarop aanbevelingen gedaan voor de omgang met verontreinigde bodem. Deze aanbevelingen hebben de basis gevormd voor de richtlijn die de Arbeidsinspectie in 1993 heeft opgenomen in publicatie P-174. In 1997 is deze richtlijn overgenomen in het Arbeidsomstandighedenbesluit.

Vanuit de werkgroep ‘Herziening P-blad 174’ is in 1998, onder auspiciën van CROW, de eerste versie van CROW-publicatie 132 tot stand gekomen. Die uitgave wordt nog steeds gezien als hét document dat regelt hoe om te gaan met het werken in en met verontreinigde bodem. De publicatie wordt breed gedragen door de branches en is ingebed in de RAW-systematiek. Ook in het destijds nog van kracht zijnde Arbeidsomstandighedenbesluit was deze systematiek opgenomen. Ook wordt er in tal van arbocatalogi naar verwezen. Hiermee is een wettelijke basis gelegd om veiligheid en gezondheid te borgen via de systematiek van CROW-publicatie 132.

In december 2008 is de vierde, herziene uitgave van CROW-publicatie132 verschenen. Daarin werd het principe van ‘risicogestuurd werken’ geïntroduceerd. Deze benadering van veiligheids- en gezondheidsrisico’s maakt het mogelijk om beheersmaatregelen ‘op maat’ te treffen.

Lange tijd was de bepaling van veiligheids- en gezondheidsrisico’s direct gekoppeld aan de vanuit de milieuwetgeving ingestelde Interventiewaarde. De Interventiewaarden voor (water)bodems en grondwater zijn normen met een signaalwaarde. Bij overschrijding wordt gesproken van ernstige verontreiniging; dit houdt in dat de functionele eigenschappen van de bodem voor mens, dier en plant (mogelijk) ernstig verminderd zijn. De normen zijn gebaseerd op de kennis over de effecten van stoffen op het milieu en op de mens.

In de afgelopen periode is een discussie ontstaan over de ‘harde koppeling’ tussen de effecten van verontreinigende stoffen op het milieu (planten en dieren) en de effecten van diezelfde stoffen op de mens. Aanleiding hiervoor is het gegeven dat bij een groot aantal niet-vluchtige stoffen de risico’s voor de gezondheid (van de mens) veel minder groot zijn dan de risico’s voor het milieu. Bij handhaving van de harde koppeling worden met andere woorden de gezondheidsrisico’s voor de mens overschat (als die met de desbetreffende stoffen in aanraking komt).

Het ‘CROW-Platform Werken in en met verontreinigde bodem’ heeft deze signalen serieus genomen en is op zoek gegaan naar een methodiek die beter aansluit bij de wensen uit het werkveld van de grondroerende activiteiten. Dit heeft er mede toe geleid CROW-publicatie 132 geheel te herschrijven. Daarnaast werd besloten om bij deze herziening ook CROW-publicatie 307 ‘Kabels en leidingen in verontreinigde bodem’ mee te nemen. Het gevolg is dat de vroegere CROW-publicaties 132 en 307 nu zijn omgewerkt tot de voorliggende richtlijn. Hierbij passen een nieuw nummer en een nieuwe naam: CROW-publicatie 400 ‘Werken in of met verontreinigde bodem; Richtlijn voor veilig, zorgvuldig en risicogestuurd werken’.

Deze richtlijn presenteert een systematiek voor het bepalen van veiligheids- en gezondheidsrisico’s en de bijbehorende beschermende maatregelen die beter past bij de huidige praktijk van grondroerende activiteiten. Door de gehele publicatie is het principe van ‘risicogestuurd werken’ terug te vinden. De harde koppeling tussen de Interventiewaarde en de veiligheidsklassen is voor niet-vluchtige stoffen losgelaten. In plaats daarvan wordt aangehaakt bij de humane gezondheidsrisico’s van niet-vluchtige stoffen, zoals gehanteerd in de vakliteratuur. De nieuwe systematiek past beter bij de grote hoeveelheid graafbewegingen die dagelijks wordt uitgevoerd, met name ten behoeve van lijnvormige infra.

Gelet op de ervaringen van de afgelopen twintig jaar met het roeren van verontreinigde bodem, en rekening houdend met de trend om afvalstoffen steeds vaker nuttig toepasbaar te maken in de vorm van secundaire bouwstoffen, is deze nieuwe uitgave helemaal ‘up to date’. Het feit dat op tal van punten andere keuzes moeten of kunnen worden gemaakt, betekent wel dat het voor het werkveld ‘even wennen’ zal zijn. Van de betrokken professionals (met name veiligheidskundigen en arbeidshygiënisten) wordt verwacht dat zij met kennis van zaken en met oog voor de risico’s die in het bijzonder de operationele medewerkers lopen, per situatie ‘passende’ maatregelen voorschrijven. De systematiek vereist bovendien dat deze professionals in hun advies onderbouwen waarom de maatregelen zijn voorgeschreven.

Ook ten aanzien van de Deskundig Leidinggevende Projecten (DLP) is een inhaalslag gemaakt. In situaties waar ernstige risico’s (kunnen) spelen, mag alleen een DLP worden ingezet die aantoonbaar over de juiste kennis beschikt. Om dit te kunnen garanderen, heeft CROW de Register DLP (R-DLP) geïntroduceerd. Deze heeft, middels een examen dat door CROW wordt afgenomen, aangetoond te beschikken over de kennis en kunde conform de eind- en toetstermen.

Deze nieuwe uitgave beoogt het werkveld van de grondroerende activiteiten, waarin de techniek voortschrijdt en inzichten over veiligheid en gezondheid veranderen, een praktisch bruikbare richtlijn te verschaffen die medewerkers en milieu per project op passende wijze beschermt.

Tot slot wil ik alle personen, organisaties en instellingen die hebben bijgedragen aan de totstandkoming van deze nieuwe CROW-publicatie, danken voor hun inzet. Tevens dank ik het Fonds Collectieve Kennis – Civiele Techniek voor de financiële ondersteuning.

CROW
Ing. N.J.M. Ruigewaard
Voorzitter CROW-Platform Werken in en met verontreinigde bodem