Inhoud

Opzetten

5740 - ONV-NL

Oppervlakte locatie A haAantal boringenAantal te analyseren (meng)monsters
Boring tot 0,5 mBoring tot gw / 2m Boring met peilbuisBovengrondOndergrondGrondwater
A≤ 0,0121111
0,01 < A≤ 0,05211111
0,05 < A≤ 0,10411111
0,10 < A≤ 0,15611111
0,15 < A≤ 0,20821211
0,20 < A≤ 0,30921211
0,30 < A≤ 0,401021211
0,40 < A≤ 0,501131211
0,50 < A≤ 0,701231221
0,70 < A≤ 0,901342322
0,90 < A≤ 1,01442322
A> 1,07 + 7p2 + 2p1 + 1p2 + 1p1 + 1p1 + 1p

a Indien de grondwaterspiegel zich ondieper dan 1,0 m beneden het maaiveld bevindt, geldt een boordiepte van 1,0 m. Indien de grondwaterspiegel zich dieper dan 2,0 m beneden het maaiveld bevindt, geldt een boordiepte van 2,0 m.
b Indien de grondwaterspiegel zich dieper dan 5,0 m beneden het maaiveld bevindt, kan het plaatsen van peilbuizen achterwege blijven. Er wordt wel geboord tot een diepte van 2 m. Indien de diepte van de grondwaterspiegel niet bekend is, geldt een boordiepte van 5 m.
c p is de getalswaarde van de oppervlakte van de locatie, in ha (p > 1 ha). De aantallen boringen moeten worden afgerond op gehele getallen, waarbij het totaal aantal boringen steeds 10 + 10p moet bedragen.


5740 - ONV-L

lengte tracé L mAantal boringenAantal te analyseren (meng)monsters
Boring tot 0,25 m onder ontgravingsdiepte Én boring met peilbuis aGrondGrondwater
BovengrondOndergrond
≤ 10001p1+0,05p1+0,05p1+0,05p1+0,05ppb=L/50
1000 ≤ 1000010+p1+0,1p1+0,1p1+0,1p1+0,1ppb=L/100

a Grondwateronderzoek wordt alleen uitgevoerd als de grondwaterspiegel hoger is dan 0,25 m onder de maximale ontgravingsdiepte. Indien de grondwaterspiegel zich dieper bevindt, kan het plaatsen van peilbuizen achterwege blijven. De peilbuizen worden dan vervangen door boringen tot 0,25 m onder de ontgravingsdiepte.
b Afronden op hele getallen


5740 - ONV-GR-NL

Oppervlakte locatie A haAantal boringenAantal te analyseren (meng)monsters
Boring tot 0,5 mBoring tot grondwater aBoring met peilbuis bGrondGrondwater
Bovengrondondergrond
1 c1442222
21743223
32044324
42145335
52146436
A>53,5+3,5p d0,5+0,5p1+1p1+0,5p0,5+0,5p1+1p

a Indien de grondwaterspiegel zich ondieper dan 1,0 m beneden het maaiveld bevindt, geldt een boordiepte van 1,0 m. Indien de grondwaterspiegel zich dieper dan 2,0 m beneden het maaiveld bevindt, geldt een boordiepte van 2,0 m.
b Indien de grondwaterspiegel zich dieper dan 5,0 m beneden het maaiveld bevindt, kan het plaatsen van peilbuizen achterwege blijven. Er wordt wel geboord tot een diepte van 2 m beneden het maaiveld. Indien de diepte van de grondwaterspiegel niet bekend is, geldt een boordiepte van 5 m beneden het maaiveld.
c Bij een oppervlakte kleiner dan 1 ha is strategie ONV-GR-NL niet van toepassing.
d p is de getalswaarde van de oppervlakte van de locatie, in ha (p > 5 ha). De aantallen boringen moeten worden afgerond op gehele getallen, waarbij het totaal aantal boringen steeds 5 + 5p moet bedragen.


5740 - ONV-GR-L

lengte tracé L mAantal boringenAantal te analyseren (meng)monsters
Boring tot 0,25 m onder ontgravingsdiepte Én boring met peilbuis aGrondGrondwater
BovengrondOndergrond
>10000 b60+p1+0,2p1+0,2p1+0,2p1+0,2pp c = L/200

a Grondwateronderzoek wordt alleen uitgevoerd als de grondwaterspiegel hoger is dan 0,25 m onder de maximale ontgravingsdiepte. Indien de grondwaterspiegel zich dieper bevindt, kan het plaatsen van peilbuizen achterwege blijven. De peilbuizen worden dan vervangen door boringen tot 0,25 m onder de ontgravingsdiepte.
b Bij een lengte van 10 000 m of minder is deze strategie niet van toepassing, zie daarvoor strategie ONV-L (tabel 3.2).
c Afronden op hele getallen.


5740 - VEP

Oppervlakte verontreinigingskern A ha Aantal boringenAantal te analyseren (meng)monsters
Boring tot 0,5 m onder verontreinigingskern aBoring met peilbuis dGrond verontreinigingskernGrondwater
A ≤ 0,01 b2111
0,01 < A ≤ 0,053111
0,05 < A ≤ 0,084111
0,08 < A ≤ 0,10c5111

a In principe geldt een minimale boordiepte van 0,5 m beneden de verontreinigingskern, dan wel 5,0 m indien de onderzijde van de verontreiniging zich dieper dan 5 m bevindt.
b Bij puntbronnen (A < 0,001 ha) kan, indien de op basis van het vooronderzoek verwachte verontreinigingskern duidelijk waarneembaar is, worden volstaan met het plaatsen van één boring, of, in geval van (zeer) mobiele verontreinigingen (minerale olie, vluchtige aromatische verbindingen en naftaleen en vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen, inclusief mono- en dichloorbenzenen en chloorfenolen), één peilbuis. Indien één peilbuis wordt geplaatst, vindt onderzoek plaats op zowel de grond als in het grondwater.
c Er wordt uitgegaan van een maximaal oppervlak van de verontreinigingskern van 0,1 ha. Grotere verontreinigingskernen komen vrijwel niet voor. Is dit toch het geval, waarbij binnen de verontreinigingskern sprake is van een homogeen verdeelde verontreinigende stof, dan wordt verwezen naar strategie VED-HO. Is er sprake van een homogeen verdeelde verontreinigende stof, dan kan in overleg met het bevoegd gezag het gewenste aantal boringen, peilbuizen en analyses worden ingevuld met de in tabel 8.1 of tabel 8.2 gegeven aantallen als referentie.
d De plaatsing van een peilbuis kan achterwege blijven indien wordt voldaan aan alle volgende voorwaarden:
i) het grondwater staat dieper dan 5,0 m beneden het maaiveld;
ii) op basis van het vooronderzoek kan worden verwacht dat de potentiële bodembelasting niet heeft geleid tot een verontreiniging van het grondwater;
iii) tijdens de uitvoering van het veldwerk worden zintuiglijk geen potentieel mobiele verontreinigingen aan de opgeboorde grond waargenomen (zoals olie-waterreacties of verhoogde PID-metingen).
Indien de peilbuis achterwege kan blijven, wordt deze vervangen door een boring tot 5 m beneden het maaiveld.


5740 - VED-OO (één tank)

TankVulpunt a,bOntluchtingspunt a,b
Inhoud tank (m3)Aantal boringenAantal te onderzoeken monstersAantal boringen tot 1,0 mAantal te onderzoeken grondmonstersAantal boringen tot 1,0 mAantal te onderzoeken grondmonsters
Boring tot 0,5 m minus onderzijde tankÉn boring met peilbuis c,dGrondGrondwater
< 311111111
3 ≤ 511111111
5 ≤ 1021211111
10 ≤ 2021211111
20 ≤ 5031211111
> 5031211111
Leidingen a
Aantal boringen tot 0,5 m minus onderzijde leidingAantal te onderzoeken grondmonsters
per 10 m leiding21

a Kan vervallen indien het vul- en/of ontluchtingspunt of de leiding op minder dan 2 m afstand van de wand van de tank is gelegen. Hierbij is de afstand tot de rand van de tank maatgevend. Bij de plaatsing van de boringen rondom de tank behoort wel rekening te worden gehouden met de situering van het vul- en/of ontluchtingspunt.
bIndien ter plaatse van het vul- of ontluchtingspunt een bodembeschermende voorziening in de vorm van een gecertificeerde vloeistofdichte vloer aanwezig is, wordt de boring niet nabij het vul- of ontluchtingspunt geplaatst, maar wordt een peilbuis aan de rand van de bodembeschermende voorziening geplaatst.
c Indien elders bij de installatie een olieverontreiniging wordt geconstateerd, verdient het aanbeveling hier de boring met peilbuis te plaatsen.
d De plaatsing van een peilbuis kan achterwege blijven indien wordt voldaan aan alle volgende voorwaarden:
i) het grondwater staat dieper dan 5,0 m beneden het maaiveld;
ii) op basis van het vooronderzoek kan worden verwacht dat de potentiële bodembelasting niet heeft geleid tot een verontreiniging van het grondwater;
iii) tijdens de uitvoering van het veldwerk worden zintuiglijk geen potentieel mobiele verontreinigingen aan de opgeboorde grond waargenomen (zoals olie-water reacties of verhoogde PIDmetingen).
Indien de peilbuis achterwege kan blijven, wordt deze vervangen door een boring tot 5,0 m beneden het maaiveld.

OPMERKING Wat betreft de boringen nabij leidingen geldt als vuistregel één boring per 5 m leiding. Per twee
boringen (10 m leiding) wordt één grondmonster onderzocht met een minimum van één grondmonster per leiding.


5740 - VED-OO (meerdere tanks)

TankVulpunt a,bOntluchtingspunt a,b
Inhoud tank (m3)Aantal boringenAantal te onderzoeken monstersAantal boringen tot 1,0 mAantal te onderzoeken grondmonstersAantal boringen tot 1,0 mAantal te onderzoeken grondmonsters
Boring tot 0,5 m minus onderzijde tankÉn boring met peilbuis c,dGrondGrondwater
<1021111111
10 < 252111111
25 < 503121111
50 < 1003131111
>10032321111
Leidingen a
Aantal boringen tot 0,5 m minus onderzijde leidingAantal te onderzoeken grondmonsters
per 10 m leiding21

a Kan vervallen indien het vul- en/of ontluchtingspunt of de leiding op minder dan 2 m afstand van de wand van de tank is gelegen. Hierbij is de afstand tot de rand van de tank maatgevend. Bij de plaatsing van de boringen rondom de tank behoort wel rekening te worden gehouden met de situering van het vul- en/of ontluchtingspunt.
b Indien ter plaatse van het vul- of ontluchtingspunt een bodembeschermende voorziening in de vorm van een gecertificeerde vloeistofdichte vloer aanwezig is, wordt de boring niet nabij het vul- of ontluchtingspunt geplaatst, maar wordt een peilbuis aan de rand van de bodembeschermende voorziening geplaatst.
c Indien elders bij de installatie een olieverontreiniging wordt geconstateerd, verdient het aanbeveling hier de boring met peilbuis te plaatsen.
d De plaatsing van een peilbuis kan achterwege blijven indien wordt voldaan aan alle volgende voorwaarden:
i) het grondwater staat dieper dan 5,0 m beneden het maaiveld;
ii) op basis van het vooronderzoek kan worden verwacht dat de potentiële bodembelasting niet heeft geleid tot een verontreiniging van het grondwater;
iii) tijdens de uitvoering van het veldwerk worden zintuiglijk geen potentieel mobiele verontreinigingen aan de opgeboorde grond waargenomen (zoals olie-waterreacties of verhoogde PID-metingen). Indien de peilbuis achterwege kan blijven, wordt deze vervangen door een boring tot 5 m beneden het maaiveld.
e Indien de vul- en/of ontluchtingspunten van de tanks van één cluster niet bijeen zijn gelegen, worden de voorgeschreven aantallen boringen en te onderzoeken monsters per vul- en/of ontluchtingspunt uitgevoerd.


5740 - VED-HO-NL

Oppervlakte locatie haAantal boringenAantal te analyseren (meng)monsters
Boring tot 2,0 mBoring met peilbuis aGrond (verdachte laag) bGrondwater
<15222
>15 + pc2 + 0,5p2 + 0,5p2 + 0,5p

a Indien de grondwaterspiegel zich dieper dan 5 m beneden het maaiveld bevindt, kan het plaatsen van peilbuizen achterwege blijven. De peilbuizen worden in dat geval vervangen door boringen tot ten minste 5 m beneden het maaiveld.
b De gegeven aantallen zijn onafhankelijk van de verdachte bodemlaag.
c p is de getalswaarde van de oppervlakte van de locatie, in ha (p > 1 ha). De aantallen boringen moeten worden afgerond op gehele getallen, waarbij het totaal aantal boringen steeds 7 + 1,5p moet bedragen.


5740 - VED-HO-L

lengte tracé L mAantal boringenAantal te analyseren (meng)monsters
Boring tot 0.25 m onder ontgravingsdiepteén Boring met peilbuis aGrondGrondwater
Bovengrondondergrond
<10001p1 + 0,05p1 + 0,05p1 + 0,05p1 + 0,05ppb=L/50
1000-1000010 + p1 + 0.1p1 + 0.1p1 + 0.1p1 + 0.1ppb=L/100
>1000060 + p1 +0.2p1 +0.2p1 +0.2p1 +0.2ppb=L/200

a Grondwateronderzoek wordt alleen uitgevoerd als de grondwaterspiegel hoger is dan 0,25 m onder de maximale ontgravingsdiepte. Indien de grondwaterspiegel zich dieper bevindt, kan het plaatsen van peilbuizen achterwege blijven, tenzij de onderzoekslocatie verdacht is op de aanwezigheid van vluchtige verbindingen die kunnen uitdampen in de te ontgraven sleuf. Als geen peilbuizen worden geplaatst, worden deze vervangen door boringen tot 0,25 m onder de ontgravingsdiepte.
b Afronden op gehele getallen.


5740 - VED-HE-NL

Oppervlakte locatie A haAantal boringenAantal te analyseren (meng)monsters
Boring tot 0,5 m in verdachte laagBoring tot onderzijde laag / 2m Boring met peilbuisGrond (verdachte laag)Grondwater
A≤ 0,0121111
0,01 < A≤ 0,0531121
0,05 < A≤ 0,1051131
0,10 < A≤ 0,1571131
0,15 < A≤ 0,20102131
0,20 < A≤ 0,30112131
0,30 < A≤ 0,40122131
0,40 < A≤ 0,50143131
0,50 < A≤ 0,70153131
0,70 < A≤ 0,90174242
0,90 < A≤ 1,0184242
A> 1,09 + 9p2 + 2p1 + 1p2 + 2p1 + 1p

5740 - VED-HE-L

lengte tracé L mAantal boringenAantal te analyseren (meng)monsters
Boring tot 0.25 m onder ontgravingsdiepteén Boring met peilbuis aGrond (verdachte laag)Grondwater
Bovengrondondergrond
alle lengtes1p1 + 0,05p1 + 0,05p1 + 0,05p1 + 0,05ppb=L/50

a Grondwateronderzoek wordt alleen uitgevoerd als de grondwaterspiegel hoger is dan 0,25 m onder de maximale ontgravingsdiepte. Indien de grondwaterspiegel zich dieper bevindt, kan het plaatsen van peilbuizen achterwege blijven, tenzij de onderzoekslocatie verdacht is op de aanwezigheid van vluchtige verbindingen die kunnen uitdampen in de te ontgraven sleuf. Als geen peilbuizen worden geplaatst, worden deze vervangen door boringen tot 0,25 m onder de ontgravingsdiepte.
b Afronden op gehele getallen.


5740 - NUL

Oppervlakte potentiële verontreinigingskern A haAantal boringenAantal te onderzoeken (meng)monsters
tot 0,5 mtot 2 mBoring met peilbuisGrond per potentieel verdachte bodemlaagGrondwater
A < 0,0120111
0,01 < A < 0,0530111
0,05 < A < 0,0840111
0,08 < A < 0,1041111
0,10 < A < 0,1251111
0,12 < A < 0,1461111
0,14 < A < 0,1671111
0,16 < A < 0,1872121
0,18 < A < 0,2092121
0,20 < A < 0,30102121
0,30 < A < 0,40102121
0,40 < A < 0,50113121
0,50 < A < 0,60123121
0,60 < A < 0,70123222
0,70 < A < 0,80133222
0,80 < A < 0,90143222
0,90 < A < 1,0144232
A > 1,07 + 7pa2 + 2p1 + 1p2 + 1p1 + 1p

a p is de getalswaarde van de oppervlakte van het potentieel verdachte terreindeel in ha (p > 1 ha). De aantallen borigen moeten worden afgerond op gehele getallen, waarbij het totaal aantal boringen steeds 10 + 10p moet bedragen.


5740 - NUL (één tank)

TankVulpunta,bOntluchtingspunta,b
Inhoud tank V m3Aantal boringenAantal te onderzoeken monstersAantal boringen tot 1,0 mAantal te onderzoeken grondmonstersAantal boringen tot 1,0 mAantal te onderzoeken grondmonsters
Boring tot 0,5 m minus onderzijde tankBoring met peilbuis c,dGrondGrondwater
V < 311111111
3 < V < 511111111
5 < V < 1021211111
10 < V < 2021211111
20 < V < 5031211111
V > 5031211111

a Kan vervallen indien het vulpunt en/of ontluchtingspunt op minder dan 2 m afstand van de wand van de tank is gelegen. Hierbij is de afstand tot de rand van de tank maatgevend. Bij de plaatsing van de boringen rondom de tank behoort wel rekening te worden gehouden met de situering van het vul- en/of ontluchtingspunt.
b Indien ter plaatse van het vul- of ontluchtingspunt een bodembeschermende voorziening in de vorm van een gecertificeerde vloeistofdichte vloer aanwezig is, wordt de voorgestelde boring niet nabij het vul- of ontluchtingspunt geplaatst, maar wordt een peilbuis aan de rand van de bodembeschermende voorziening geplaatst.
c Indien elders bij de installatie een olieverontreiniging wordt geconstateerd, verdient het aanbeveling hier de boring met peilbuis te plaatsen.
d Indien de grondwaterspiegel zich dieper bevindt dan 5 m beneden het maaiveld, kan het plaatsen van peilbuizen achterwege blijven. De peilbuizen worden in dat geval vervangen door boringen tot ten minste 5 m beneden het maaiveld.

OPMERKING wat betreft de boringen nabij leidingen geldt als vuistregel een boring 5 m leiding. Per twee boringen (10 m leiding) wordt één grond(meng)monster onderzocht met een minimum van één grondmonster per leiding.

5740 - NUL meerdere og tanks

TankVulpunta,b,eOntluchtingspunta,b,e
Inhoud tank V m3Aantal boringenAantal te onderzoeken monstersAantal boringen tot 1,0 mAantal te onderzoeken grondmonstersAantal boringen tot 1,0 mAantal te onderzoeken grondmonsters
Boring tot 0,5 m minus onderzijde tank
V < 1021111111
10 < V < 2521111111
25 < V < 5031211111
50 < V < 10031311111
V > 10032321111

a Kan vervallen indien het vulpunt en/of ontluchtingspunt op minder dan 2 m afstand van de wand van de tank is gelegen. Hierbij is de afstand tot de rand van tank maatgevend. bij de plaatsing van de boringen rondom de tank behoort wel rekening te worden gehouden met de situering van het vul- en/of ontluchtingspunt.
b Indien ter plaatse van het vul- of ontluchtingspunt een bodembeschermende voorziening in de vorm van een gecertificeerde vloeistofdichte vloer aanwezig is, wordt de voorgestelde boring niet nabij het vul- of ontluchtingspunt geplaatst, maar wordt een peilbuis aan de rand van de bodembeschermende voorziening geplaatst.
c Indien elders bij de installatie een olieverontreiniging wordt geconstateerd, verdient het aanbeveling hier de boring met peilbuis te plaatsen.
d Indien de grondwaterspiegel zich dieper bevindt dan 5 m beneden het maaiveld, kan het plaatsen van peilbuizen achterwege blijven. de peilbuizen worden in dat geval vervangen door boringen tot ten minste 5 m beneden het maaiveld.
e Indien de vulpunten of ontluchtingen van de tanks van één cluster niet bijeen zijn gelegen, worden de voorgeschreven aantallen boringen en te onderzoeken monsters per vulpunt/ontluchting uitgevoerd.


5740 - PK In Situ

Boordiepte d mOppervlakte ruimtelijke eenheid m2Aantal boringen per eenheidaAantal grepen per boring
d < 0,25250001001
d < 0,5125001001
d < 1,06250502
d < 2,03125254
d < 3,02083176
d < 4,01563138
d < 5,012501010
d < 5.06250/db50/db2db

a Indien er sprake is van een niet-doordringbare verhardingslaag mag het aantal te nemen grepen van de onderliggende bodem worden beperkt van 2 maal 50 tot 2 maal 6. een verdere reductie van het aantal boringen met de boordiepte, zoals weergegeven in tabel 13, is dan niet meer toegelaten (dat wil zeggen: ongeacht de boordiepte 12 boringen).
b voor d wordt getalswaarde voor de boordiepte in m gehanteerd.


5740 - PK Grootschalig

Te toetsen bodemvolume B 1000 m3Te toetsen hoeveelheid grond G 1000 tona,eAantal hectaren bij laagdikte van 0,5 md AAantal te toetsen eenhedenAantal eenheden dat de toetsingswaarde mag overschrijdenTotaal aantal te nemen grepenTotaal aantal te analyseren verzamelmonsters
125b < B < 150200 < G < 24025 < A < 30201200040
150 < B < 200240 < G < 32030 < A < 40231220044
200 < B < 250320 < G < 40040 < A < 50261250050
250 < B < 300400 < G < 48050 < A < 60291290058
300 < B < 350480 < G < 56060 < A < 70311320064
350 < B < 400560 < G < 64070 < A < 80341350070
400 < B < 450640 < G < 72080 < A < 90372380076
450 < B < 500c720 < G < 80090 < A < 100402400080

a De bemonsteringsdichtheid wordt bepaald op basis van het totaal te toetsen bodemvolume/ de totaal te toetsen hoeveelheid grond.
b Bij een locatie van minder dan 125000 m3 moeten allen terreineenheden worden getoetst, zie hiervoor de strategie TOETS-S.
c Bij een locatie van meer dan 500000 m3 (of zelfs minder) is het zinvol om de grond op basis van BRL 9335 als een product te certificeren.
d Bij een afwijkende laagdikte wijzigt het aantal hectaren. Dit heeft echter geen consequenties voor het aantal te toetsen eenheden.
e Indien meer bodemlagen (dus meer partijen) voorkomen en moeten worden getoetst, dan moet elk van deze bodemlagen worden onderzocht op basis van deze tabel. Elke bodemlaag wordt daarbij dus afzonderlijk getoetst.
f Met de gegeven aantal toetsingen en het maximaal geldende aantal overschrijdingen wordt met ten minste 75% betrouwbaarheid aangetoond dat 95% van de mogelijke partijen in het totale grondgebied voldoen aan de wettelijke eis.


5707 - ONV-KL

Oppervlakte locatie A haGaten tot 0,5 m (bovengrond)Boringen tot ongeroerde ondergrondaaantal te analyseren mengmonsters geroerde bodemlaag
<0,01211
0,01-0,05221
0,05-0,10421
0,10-0,15621
0,15-0,20832
0,20-0,30932
0,30-0.401032
0,40-0,501142
0,50-0,701242
0,70-0,901363
0,90-1,001463

a Het verkennend onderzoek asbest beperkt zich normaal gesproken tot een maximale diepte van circa 2 m.


5707 - ONV-GR

Oppervlakte locatie A haGaten tot 0,5 m (bovengrond)Boringen tot ongeroerde ondergrondaaantal te analyseren mengmonsters geroerde bodemlaag
1b1462
21772
32083
42193
521104
625114
728125
832135
935156
1039166
pc3,5 +3,5p1,5+1,5p1+0.5p

a Het verkennend onderzoek asbest beperkt zich normaal gesproken tot een maximale diepte van ca. 2 m.
b Bij een oppervlakte < 1 ha is de strategie voor grootschalige onverdachte locaties niet van toepassing en behoort de strategie zoals weergegeven in 6.4.2 te worden toegepast.
c p is de getalswaarde van de oppervlakte van de locatie, in ha (p ≥ 10); het aantal gaten afronden naar boven op gehele getallen, waarbij het totaal aantal gaten steeds (5 + 5p) moet bedragen.


5707 - VED

Oppervlakte per verontreinigingskern haMinimaal aantal visueel te inspecteren punten van het maaiveldaAantal gaten tot de onverdachte ondergrondbaantal te analyseren (meng)monsters per verontreinigingskern
<0,001111
0,001-0,01221
0,01-0.05331
0,05-0,08441
0,08-0,10c551

a Is alleen van toepassing wanneer meer dan 100 cm2 aan asbestverdacht materiaal per m2 wordt aangetroffen.
b Het verkennend onderzoek asbest beperkt zich normaal gesproken tot een maximale diepte van ca. 2 m.
c Er wordt uitgegaan van een maximale oppervlakte van de verontreinigingskern van 0,1 ha. grotere kernen behoren te worden onderzocht met de strategie 'verdacht heterogeen' (6.4.5).


5707 - VED-HE

Oppervlakte locatie haMinimaal aantal te inspecteren punten van het maaiveldaGaten in de verdachte laag tot maximaal 0,5 m in de verdachte laagbGaten tot onderzijde verdachte laag met een maximum van 2 mb Aantal te analyseren (meng)monsters per verdachte laag
<0,012211
0,01-0,053311
0,05-0,105511
0,10-0,157712
0,15-0,20101022
0,20-0,30111123
0,30-0.40121223
0,40-0,50141433
0,50-0,70151533
0,70-0,90171744
0,90-1,00181844
Pc9 + 9p9 + 9p2 + 2p2 + 2p

a Is alleen van toepassing wanneer meer dan 100 cm2 aan asbest verdacht materiaal per vierkante meter wordt aangetroffen. Bij verontreinigingen die zich alleen in de ondergrond bevinden is een visuele inspectie van het maaiveld niet noodzakelijk.
b Gaten worden in principe uitgevoerd tot aan de onverdachte ondergrond, maar maximaal 0,5 m respectievelijk 2,0 m diep.
c p is de getalswaarde van de oppervlakte van de locatie in ha (p > 1); het aantal gaten afronden naar boven op gehele getallen, waarbij het totaal aantal gaten steeds (11 + 11p) behoort te bedragen.


5707 - Min greepGR en monsterGR

Maximale deeltjesgrootte (D100) mmMinimale greepgrootte kgMinimale monstergrootte zonder verwijderen grove fractie kg Minimale monstergrootte na verwijderen grove fractie kg ds
<50,051010bs
5- 100,11510
10- 200,55010
20- 301,515010
30- 40330010
40- 50650010
50- 7518100010
75- 10040200010

a De minimale monstergrootte in de tabel is gespitst in een monstergrootte indien er geen monstervoorbehandeling wordt uitgevoerd en de monstergrootte indien er op locatie wel een monstervoorbehandeling wordt uitgevoerd.
b De minimale monstergrootte bij deze kleine deeltjes kan in principe kleiner zijn dan de in de tabel vereiste 10 kg ds, maar is in relatie tot de samen te stellen mengmonsters op de massa vastgesteld.


5897 - Kleinschalig

Oppervlakte m2Minimaal aantal gaten (door de verharding of aan de rand van verharding)Minimaal aantal te analyseren monsters
<1021
10-10031
100-50041
500-80051
800-100061
1000-150072
1500-2000122
2000-3000133
3000-4000143
4000-5000173
5000-7000183
7000-9000214
9000-10000224
p11 + 11 x (p/10000)a2 + 2 x (p/10000)a

a p is de getalswaarde van de oppervlakte m2


5897 - Grootschalig

Oppervlakte m2Minimaal aantal gaten (door de verharding of aan de rand van verharding)Minimaal aantal te analyseren monsters
10000202
20000242
30000283
40000303
50000314
60000364
70000405
80000455
90000506
100000556
p5 + 5 x (p/10000)a1 + 0,5 x (p/10000)a

a p is de getalswaarde van de oppervlakte m2


5897 - kleinschalig halfverharding

Oppervlakte m2Minimaal aantal gaten (door de verharding of aan de rand van verharding)Minimaal aantal te analyseren mengmonsters
<1021
10 < 10031
100 < 50041
500 < 80051
800 < 100061
1000 < 150072
1500 < 2000122
2000 < 3000133
3000 < 4000143
4000 < 5000173
5000 < 7000183
7000 < 9000214
9000 < 10000224
p11 + 11 x (p/10000)a2 + 2 x (p/10000)a

a p is de getalswaarde van de oppervlakte in m2.


5897 - BSA en granulaat

Volume partij m3Minimaal te inspecteren oppervlak m2Minimaal aantal te analyseren monstersVolume partij m3 Minimaal te inspecteren oppervlak m2Minimaal aantal te analyseren monsters
<104 x 2512000 < 3000 26 x 255
10 < 1006 x 2513000 < 400028 x 255
100 < 5008 x 2514000 < 500034 x 256
500 < 80010 x 2525000 < 700036 x 256
800 < 100012 x 2527000 < 900042 x 257
1000 < 150016 x 2539000 < 1000044 x 258
1500 < 200024 x 254p22 + 22 x (p/10000) x 25a4 + 4 x (p/10000)a

a p is de getalswaarde van de omvang in m3


5897 - greep- en monstergootte t.o.v. asbesth deeltjes

Maximale deeltjesgrootte (D100) mmMinimale greepgrootte kgMinimale monstergrootte zonder verwijderen grove fractie kgMinimale monstergrootte na verwijderen grove fractie kg
<50,051010b
5- 100,11515
10- 200,55025
20- 301,515025
30- 40330025
40- 50650025
50- 7518100025
75-10040200025

a De minimale monstergrootte in de tabel is gesplitst in een monstergrootte indien er geen monstervoorbehandeling wordt uitgevoerd en een monstergrootte indien er op locatie wel een monstervoorbehandeling wordt uitgevoerd.
b De minimale monstergrootte bij deze kleine deeltjes kan in principe kleiner zijn dan de in de tabel vereiste 25 kg, maar is in de relatie tot de samen te stellen mengmonsters op de massa vastgesteld.


CROW210 - asfalt vóór 1995

Oppervlakte m2Minimaal aantal kernen
<100 m21
<500 m22
>500 m21+1 per 500 m2
>10000 m2 of snelweg1+1 per 1000 m2
>100000 m2 of snelweg1+1 per 10000 m2

analyses

Oppervlakte m2Minimaal aantal analyses
0-25 ton0
0-200 ton1
200-1000 ton2
1000-2000 ton3
elke 2000 ton meer1 extra analyse

CROW210 - asfalt na 1994

Oppervlakte m2Minimaal aantal kernen
<1000 m22
>1000 m21+1 per 1000 m2
>100000 m2 of snelweg1+1 per 10000 m2

analyses

Oppervlakte m2Minimaal aantal analyses
Indien geen PAK's met PAK-marker en asfalt na 19940
0-25 ton0
0-200 ton1
200-1000 ton2
1000-2000 ton3
elke 2000 ton meer1 extra analyse