| boek | |
|---|---|
| item_type | boek |
| Titel | Gesponnen Suiker |
| author | Jan Wolkers |
| Uitgever | Meulenhof |
| Jaar | 1963 |
| Maand | 3 |
| Pagina's | 174 |
| Cover Image | ![]() |
| status | niet gestart |
De bundel Gesponnen suiker van Jan Wolkers (* 1925 te Oegstgeest) bevat acht verhalen geschreven tussen april 1958 en november 1962. Zeven ervan werden voorgepubliceerd in diverse tijdschriften: Tirade, Podium, Merlijn en De gids.
In een interview met H.U. Jessurun d'Oliveira van 14 april 1964 vertelde Wolkers over de achtergrond en het ontstaan van enkele verhalen, in het bijzonder over sommige sprekende details. In ‘Zwarte advent’ (het oudste verhaal van de bundel) helpt de ikverteller zijn vader bij het doorzagen van een stam. Hij valt en een hevige pijnscheut schiet door zijn lendenen. Zijn vader ziet dat zijn trui en broek vol kleine veertjes zitten en zegt: ‘Het lijkt wel of je met de engel geworsteld hebt.’ De scène verwijst naar de bijbel, naar de geschiedenis van Jacob die met Gods engel worstelde, en daarmee naar een van de centrale thema's van het verhaal, eigenlijk van de hele bundel: de strijd die de verhaalfiguur moet voeren met zijn angsten en obsessies.
Dergelijke beeldende scènes, vertelde Wolkers, waren bij hem altijd in de eerste conceptie aanwezig. Ze kwamen niet gaandeweg, ze waren er meteen al. Elders in het interview zei hij: ‘Het is zo, als je wat verzinnen moet in een verhaal, dan is het mis, alles komt vanzelf.’ Dit soort voorbeelden en uitspraken laten zien dat de verhalen in Gesponnen suiker zich doorgaans vanuit één beeldende inval ontwikkelden.
De bundel verscheen in maart 1963.
Het eerste verhaal, ‘Dominee met strooien hoed’, wordt verteld door een tienjarige jongen die met zijn ouders, broers en zusjes een zondagmiddag naar het strand bij Katwijk gaat. Het bestaat uit een aantal scènes die de belevenissen van de jongen weergeven. Hij kijkt toe als een visser een krab vangt en het dier de scharen afsnijdt. Met zijn oudere broer gluurt hij naar mensen die zich omkleden. In de duinen vangt hij een stel hagedissen. Aan het strand ziet hij de dominee, in badpak en met een strooien hoed op. Hij rent weg, hevig geschrokken. Als hij omkijkt, is de man verdwenen. Hij vraagt zich af of het een luchtspiegeling was. Op de terugweg naar huis stikken de hagedissen in de gesloten trommel. Zijn moeder gooit de diertjes in de vuilnisbak. Maar het kind is er niet van overtuigd dat de beestjes dood zijn. Zittend naast de afvalemmer meent hij ze tegen de wand te horen krabben.
Het tweede verhaal, ‘Gevederde vrienden’, gaat over Herbert die zijn vrouw Liesbeth in een ijskast duwt, haar daar dood laat vriezen en na een aantal dagen haar lichaam in kleine stukken snijdt, het vlees aan de meeuwen voert en de beenderen vermaalt. Het verhaal is voornamelijk vanuit het gezichtspunt van Herbert geschreven; slechts één korte alinea geeft de gedachten van Liesbeth weer.
‘Gesponnen suiker’, het derde verhaal, is opnieuw een ikvertelling. Een volwassen man reist terug naar de plek in het polderland bij Oegstgeest waar zijn broer en hij in de oorlog een Amerikaanse parachutist hebben begraven. Hij twijfelt nog steeds of de man wel echt dood was, of het zijn broer niet om de parachute begonnen was. In Leiden is het kermis. Bij een schiettent komt een groep meisjes om hem heen staan, die allen gesponnen suiker van een stokje eten. Een van de meisjes wil hem laten snoepen, maar hij weigert. Hij loopt door, komt uiteindelijk bij het graf van de Amerikaan waarop wollegras groeit.
‘Laatste kwartier’ is het kortste verhaal van de bundel; het beslaat nog geen drie pagina's. Het heeft een sciencefictionachtig karakter. Een man (hij vertelt zelf zijn geschiedenis) heeft zich op een planeet in een schaduwrijk kraterdal in leven weten te houden. Vanaf de aarde schiet men levende wezens (waarschijnlijk veroordeelden) naar zijn planeet. Hij snijdt ze open, strooit zaad in de wond en laat gruwelplanten in hen groeien. Met één vrouw doet hij dat niet. Dan verdort zijn tuin. Ze krijgen een kind dat hij Kaïn noemt.
‘Langpootmuggen’ speelt zich af gedurende één avond. Bets, de vrouw van Johan, is nog geen veertien dagen geleden begraven. In zijn dronken verbeelding is zij aanwezig en achtervolgt ze hem met terechtwijzingen. Een langpootmug in de kamer herinnert hem aan een bezoek waarbij de gastheer met een gloeiend elektrisch kacheltje langpootmuggen ving. Johan moest overgeven. In de wc-pot zag hij een motvisje en daarom braakte hij op de vloer. Die herinnering staat in schril contrast met de netheid van zijn voortdurend vittende vrouw. Aan het eind van de avond gaat hij naar haar graf. Als hij daar geweest is, zal hij zeker weten dat ze zich niet schuilhoudt in het huis. Onderweg ziet hij een auto naderen. Hij rent het licht tegemoet.
‘De ontmaskering’ is het enige verhaal uit de bundel dat niet werd voorgepubliceerd. Een jongen vertelt het; in de tegenwoordige tijd, zodat vertellen en gebeuren lijken samen te vallen. Zijn oudere broer is gestorven en hij meent contact met hem te hebben. Eerst in een bos, samen met zijn zusje, die erg bang is. Later op de dag bij zijn buurvrouw, die de geest van de broer oproept. De verschijning blijkt echter de in een laken gehulde buurman te zijn, - de jongen ontdekt dat als de buurvrouw naar de voordeur wordt geroepen. Hij rent weg. Op zijn vlucht vindt hij het foto-etui dat zijn broer verstopt had, precies op de plek die de als geest vermomde buurman had aangeduid.
Het zevende verhaal, ‘Zwarte advent’, wordt verteld door een jongeman die na lange tijd weer thuiskomt. Het is tegen de kerst, 1944, midden in de hongerwinter. Zijn ouders, broers en zusters eten bloembollen. Doordat zijn oudere broer gestorven is, is hij nu de oudste en daarom voelt hij zich verantwoordelijk. Op weg naar huis heeft hij bij een buitenplaats kalkoenen gezien en hij besluit er één te gaan stelen, zodat het gezin toch een rijke maaltijd heeft. Dat is een ware opoffering, want hij is een groot dierenvriend: enkele voorbeelden uit zijn jeugd bevestigen dat. 's Nachts gaat hij eropuit en weet hij inderdaad een vogel te bemachtigen. Maar thuisgekomen ziet hij dat het een pauw is. Om ontdekking te voorkomen plukt hij het dier zelf. De veren steekt hij in een vaas waarin vanouds al pauwenveren staan. De volgende dag, aan de kersttafel, kijkt hij rond terwijl zijn vader bidt. Tussen de jaren oude veren staan de nieuwe er uitdagend fris bij.
Het laatste verhaal heet ‘Kunstfruit’. Het is met zijn zevenendertig pagina's bijna net zo lang als het openingsverhaal. Beide verhalen overtreffen in lengte verre de andere zes. De verteller is ene John Gouds, maar de eigenlijke hoofdpersoon is zijn vriendin Lisa. Het verhaal begint als Lisa een jaar na hun kennismaking John opbelt, omdat ze in moeilijkheden zit: ze is vijf maanden zwanger. Dan volgt de voorgeschiedenis. Een jaar geleden belde de hem onbekende Lisa hem op. Ze had zijn adres van een vriendin en wilde platen bij hem komen luisteren. Na dat eerste bezoek volgden nieuwe bezoeken. Ze vrijden veel. Lisa was een levenslustig, goedgelovig meisje met een groot hart.
Nu zit ze dus in moeilijkheden. Ze is in verwachting van iemand uit Curaçao die getrouwd is en naar zijn vrouw en kinderen in de West terugwil. John biedt aan voor haar en haar kind te zorgen, maar dat slaat ze af.
Later ontmoet hij haar nog twee keer. De eerste keer vertelt ze hem dat haar kindje te vroeg geboren is. Het ligt in de couveuse. Ze mag het maar één keer per dag zien en niet zelf voeden. De tweede keer vertelt ze dat ze nu samenwoont met een Engelsman. Ze verstaan elkaar niet, maar hij is erg aardig. Omdat het souterrain waarin ze wonen nogal somber is, heeft hij om de boel op te fleuren twee zakken kunstfruit gekocht. Haar kindje is nog steeds niet bij haar. Ze zal er pas voor mogen zorgen als ze met een nette jongen getrouwd is.