beheer:crow400:crow400-h5
Verschillen
Dit geeft de verschillen weer tussen de geselecteerde revisie en de huidige revisie van de pagina.
| Beide kanten vorige revisieVorige revisie | |||
| beheer:crow400:crow400-h5 [2026/06/01 10:54] – verwijderd - Externe bewerking (Ongeldige datum) 127.0.0.1 | beheer:crow400:crow400-h5 [2026/06/01 10:54] (huidige) – ↷ Pagina verplaatst van crow400:crow400-h5 naar beheer:crow400:crow400-h5 admin_sasteren | ||
|---|---|---|---|
| Regel 1: | Regel 1: | ||
| + | ====== 5 Uitvoeringsfase ====== | ||
| + | ===== 5.1 Locatie met veiligheidsklasse Oranje ===== | ||
| + | Er is sprake van een locatie met veiligheidsklasse Oranje als de concentratie van de verontreiniging door niet-vluchtige stoffen zich bevindt tussen 75% SRC-arbo en SRC-arbo en/of de concentratie van de verontreiniging door vluchtige stoffen zich bevindt tussen de Tussenwaarde en de Interventiewaarde. | ||
| + | |||
| + | De veiligheidskundige (module 5) bespreekt in een startwerkinstructie de door hem vastgestelde beheersmaatregelen met de betrokkenen. | ||
| + | |||
| + | In de startwerkinstructie worden de geplande werkzaamheden, | ||
| + | |||
| + | ===== 5.2 Locatie met veiligheidsklasse Rood of Zwart ===== | ||
| + | Er is sprake van een locatie met veiligheidsklasse Rood of Zwart als de concentratie van de verontreiniging door niet-vluchtige stoffen groter is dan SRC-arbo en de concentratie verontreiniging door vluchtige stoffen groter is dan de Interventiewaarde. | ||
| + | |||
| + | Het borgen van de beheersing van de projectrisico’s ligt bij de Opdrachtgever (zie ook Arbobesluit, | ||
| + | |||
| + | De veiligheidskundige bespreekt in een startwerkinstructie de door hem vastgestelde beheersmaatregelen met de betrokkenen. | ||
| + | |||
| + | ===== 5.3 Milieugerelateerde aandachtspunten ===== | ||
| + | Als voor de grondroerende werkzaamheden een saneringsplan is ingediend of een BUS-melding is gedaan, mogen de werkzaamheden in sterk verontreinigde bodem of baggerspecie alleen worden uitgevoerd door BRL 7000-erkende aannemers. Er moet een start- en eindmelding worden gedaan en indien van toepassing melding van de einddiepte van de ontgraving bij het Wbb-bevoegd gezag (gemeente, provincie, omgevingsdienst). | ||
| + | Ook is in die gevallen BRL 6000 van toepassing. Alleen in bepaalde situaties die vallen onder de BUS-categorie ‘Tijdelijk uitplaatsen’ geldt geen verplichte milieukundige begeleiding (zie artikel 3.3.5 van de Regeling Uniforme Saneringen). Bij ingrepen in de oever of bodem van een oppervlaktewaterlichaam geldt alleen een erkenningsplicht voor de uitvoering van de werkzaamheden en de milieukundige begeleiding indien de Interventiewaarden worden overschreden en de omvang van het werk groter is dan 1.000 m3. | ||
| + | |||
| + | Op alle werkzaamheden die onder de scope van een saneringsplan of BUS-melding vallen, is de erkenningsplicht van toepassing. Dit geldt bijvoorbeeld ook voor het toepassen van een leeflaag op een saneringslocatie of het aanvullen van een saneringslocatie met niet-verontreinigde grond. Alleen als de werkzaamheden uitsluitend bestaan uit het aanbrengen van een verhardingslaag, | ||
| + | |||
| + | --- | ||
| + | **Voorbeeld** | ||
| + | Soms is het bouwen van een huis of het aanleggen van een weg dé sanerende maatregel waarvoor een saneringsplan is opgesteld (of een BUS-melding gedaan). In zo’n geval hoeft de aannemer voor de werkzaamheden niet gecertificeerd te zijn, ook niet als hij alleen op de verontreiniging aan het werk is (zoals bij het aanbrengen van de funderingslaag van de weg). Let wel, indien het grondverzet onder een bus-melding of saneringsplan wordt uitgevoerd, dan geldt wel de erkenningsplicht. Ditzelfde geldt voor het aanbrengen van een leeflaag. | ||
| + | --- | ||
| + | Voor een overzicht van alle aandachtspunten waarmee in de uitvoering rekening moet worden gehouden, wordt verwezen naar Bijlage III ‘Checklist uitvoeringsfase’. Hierin zijn ook de erkenningsverplichtingen voor de uitvoeringsfase opgenomen. | ||
| + | |||
| + | ===== 5.4 Milieu-incidenten en -calamiteiten ===== | ||
| + | |||
| + | ==== 5.4.1 Storingen en incidenten ==== | ||
| + | Bij storingen in het ondergrondse netwerk of bij beschadiging van kabels of leidingen is de werkwijze zoals beschreven in deze richtlijn niet altijd onverkort van toepassing. Omdat dergelijke situaties veelal urgent zijn, is het niet altijd mogelijk een gedegen historisch onderzoek of bodemonderzoek uit te voeren en zal de tijd ontbreken om bijvoorbeeld een V& | ||
| + | |||
| + | Bij het bepalen van het draaiboek moet worden gedacht aan: | ||
| + | * het raadplegen van een digitale bodemkaart, bijvoorbeeld de bodemkwaliteitskaart en/of het bodemloket of vergelijkbaar; | ||
| + | * het opstellen van een algemene instructie aan de betrokken medewerkers; | ||
| + | * het voorhanden hebben van ten minste het minimaal vereiste pakket aan persoonlijke beschermingsmiddelen (basishygiëne). | ||
| + | |||
| + | Voor dergelijke situaties (bij de in deze subparagraaf beoogde storingen en incidenten) moet een veiligheidskundige worden geraadpleegd om de blootstellingsrisico’s en de benodigde beheersmaatregelen vast te stellen. Als verontreinigingen worden geconstateerd, | ||
| + | |||
| + | Als een storing weliswaar leidt tot een onderbreking van de levering en daardoor kostenverhogend werkt, maar geen ernstig gevaar oplevert voor personen of zaken, dan is er meer tijd beschikbaar voor het uitvoeren van een (beperkt) vooronderzoek. In dat geval is er geen sprake van urgent storingsherstel / maatschappelijk belang. Het noodzakelijke herstel, met inbegrip van het vooronderzoek, | ||
| + | |||
| + | ==== 5.4.2 Calamiteiten (ongewoon voorval) ==== | ||
| + | Als onverwachts een gebeurtenis optreedt die ernstige verontreiniging van het milieu tot gevolg kan hebben of heeft, wordt gesproken van een calamiteit of, meer in termen van de weten regelgeving, | ||
| + | * het kantelen van een vrachtwagen of het stuktrekken van een leiding, waardoor een bodembedreigende vloeistof de bodem kan binnendringen; | ||
| + | * het ontsnappen van verontreinigende stoffen naar de bodem uit een tank die in slechte staat verkeert. | ||
| + | |||
| + | Wanneer de verontreiniging pas later wordt verwijderd dan dient hiervoor een plan van aanpak te worden opgesteld en ter beoordeling naar het bevoegd gezag Wbb (geen sprake van een inrichting) of Wabo (in het geval van een inrichting) te worden gestuurd. | ||
| + | Bij een ongewoon voorval moet snel worden ingegrepen om aantasting of verontreiniging te voorkomen dan wel te beperken (zogenaamde eerste bereddering). In een dergelijke situatie zijn de artikelen 13, 27 en 30 van de Wbb van toepassing. In artikel 13 is bepaald dat in geval van een ongewoon voorval ‘onverwijld’ maatregelen worden genomen om de verontreiniging of de aantasting van de bodem en de directe gevolgen daarvan te beperken en zo veel mogelijk ongedaan te maken. Ook moet het bevoegd gezag (gemeente, provincie of omgevingsdienst) zo spoedig mogelijk geïnformeerd worden. Indien de calamiteit of het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan binnen een inrichting, wordt de melding gedaan aan de organisatie die bevoegd gezag is vanuit de Wabo / Activiteitenbesluit. | ||
| + | |||
| + | Bij direct optreden is het niet altijd mogelijk om eerst bodemonderzoek uit te voeren om de aard, mate en omvang van de verontreiniging vast te stellen. Wel is vaak iets bekend over de aard van de verontreiniging. Bij het vaststellen van de veiligheidsmaatregelen en -voorzieningen kan hiermee rekening worden gehouden. Voorzichtigheid blijft echter geboden, vooral bij bijvoorbeeld een illegale dumping van vaten met chemicaliën. | ||
| + | |||
| + | Voor situaties waarin direct optreden geboden is (de eerste 24 uur van een bereddering na een calamiteit, zie artikel 2.1, 3e lid Rbk), geldt een uitzondering op de verplichting om te beschikken over een erkenning voor de BRL 7000. Deze uitzondering geldt alleen voor de uitvoering van bodemsaneringen (door bijvoorbeeld een aannemer). Dit betekent bijvoorbeeld dat wel bodemmonsters moeten worden genomen (achteraf, ter vaststelling van de eindsituatie na ontgraving) en ook dat analyses moeten worden uitgevoerd door een BRL 6000-erkend bedrijf. Indien nodig kan het bevoegd gezag op grond van artikel 27 Wbb aanwijzingen geven met betrekking tot de te nemen maatregelen. | ||
| + | |||
| + | Wordt de verontreiniging niet direct maar pas op een later moment verwijderd, dan is het redelijkerwijs mogelijk om de ontstane verontreiniging eerst te onderzoeken door een bodemonderzoek. In dat geval geldt dat de herstelwerkzaamheden dan door een erkend bedrijf moeten worden uitgevoerd. Wanneer de verontreiniging pas later wordt verwijderd dan dient hiervoor een plan van aanpak te worden opgesteld en ter beoordeling naar het bevoegd gezag Wbb (in het geval van geen inrichting) of Wm (in het geval van een inrichting) te worden gestuurd. | ||
| + | {{crow400: | ||
| + | |||
| + | ===== 5.5 Grondverzet ===== | ||
| + | Bij de uitvoering van werken in de bodem is altijd sprake van grondverzet. In deze paragraaf gaat het vooral over grondverzet buiten gevallen van ernstige bodemverontreiniging, | ||
| + | |||
| + | Vrijkomende baggerspecie wordt meestal niet opnieuw toegepast op de plek waar deze is vrijgekomen, | ||
| + | |||
| + | Bij grondverzet kunnen de volgende situaties worden onderscheiden: | ||
| + | * De uitgenomen hoeveelheid is gelijk aan de terug te plaatsen hoeveelheid (en hergebruik binnen hetzelfde werk is mogelijk en toegestaan vanuit de hergebruiksfunctie). Bij een dergelijke neutrale grondbalans is sprake van tijdelijke uitname van bodemmateriaal (zie 5.5.1). | ||
| + | * De uitgenomen hoeveelheid is groter dan de terug te plaatsen hoeveelheid. Bij een dergelijk grondoverschot moet bodem worden afgevoerd (zie 5.5.2). | ||
| + | * De uitgenomen hoeveelheid is kleiner dan de terug te plaatsen hoeveelheid. Bij een dergelijk grondtekort moet bodem moet worden aangevoerd (zie 5.5.3). | ||
| + | |||
| + | ==== 5.5.1 Tijdelijke uitname ==== | ||
| + | Er is sprake van tijdelijke uitname als hergebruik binnen hetzelfde werk plaatsvindt, | ||
| + | |||
| + | Voor de tijdelijke opslag van bodem bij het werk of op een andere plaats, gelden de regels uit het Bbk. Voor tijdelijke opslag binnen een inrichting gelden de regels van het activiteitenbesluit of de omgevingsvergunning. | ||
| + | Het tijdelijk uitplaatsen van verontreinigde bodem (> Interventiewaarden) wordt in bepaalde situaties gezien als bodemsanering. Hierop is het BUS, categorie Tijdelijk uitplaatsen, | ||
| + | |||
| + | Voor het tijdelijk uitplaatsen van bouwstoffen (bijvoorbeeld een wegfundering) kent het Bbk een soortgelijke uitzondering als voor bodem. Dit betekent dat er geen verplichte kwaliteitsbepalingen gelden of een meldingsverplichting van toepassing is. Wordt echter visueel een verontreiniging waargenomen, | ||
| + | |||
| + | Als er wordt gewerkt in een bodem waarin diverse grondlagen zijn te onderscheiden, | ||
| + | |||
| + | ==== 5.5.2 Grondoverschot ==== | ||
| + | Als er meer grond wordt ontgraven dan kan worden teruggeplaatst, | ||
| + | |||
| + | Als de bodem wel herbruikbaar is, voert de aannemer de bodem af volgens projectplan of bestek. Als de bodem elders wordt toegepast of opgeslagen onder de voorwaarden van het Bbk, dient de toepasser een melding te doen via het meldpunt bodemkwaliteit. Dit is echter niet noodzakelijk als de bodem wordt afgevoerd naar een inrichting, zoals een grondbank (deze grondbank hoeft niet standaard erkend te zijn; dit geldt alleen als de grondbank verschillende partijen grond samenvoegt). | ||
| + | |||
| + | Het transport van bodemmateriaal gaat vergezeld van transportbegeleidingsformulieren. De Opdrachtgever controleert of borgt in het contract dat afvoer en melding correct worden uitgevoerd. | ||
| + | |||
| + | Indien er (secundaire) bouwstoffen worden aangetroffen, | ||
| + | |||
| + | ==== 5.5.3 Grondtekort ==== | ||
| + | Als er meer grond nodig is dan bij het ontgraven is vrijgekomen, | ||
| + | |||
| + | Uit de milieuhygiënische verklaring volgen de kwaliteit en daarmee de toepassingsmogelijkheden van de aangevoerde grond: | ||
| + | * Als de kwaliteit van de toe te passen grond wordt beoordeeld als ≤ AW2000 (achtergrondwaarden), | ||
| + | * Als de kwaliteit van de toe te passen grond wordt beoordeeld als > AW2000), dient de toepasser te controleren of de grond toepasbaar is volgens het gemeentelijk beleid (controle aan bodemfunctiekaart en bodemkwaliteitskaart; | ||
| + | |||
| + | Het voornemen om grond met gehalten > AW2000 toe te passen, dient volgens het Bbk per partij te worden gemeld bij het meldpunt bodemkwaliteit. Vandaaruit wordt het bevoegd gezag (meestal de gemeente, maar soms provincie, waterschap of Rijkswaterstaat) op de hoogte gesteld. | ||
| + | |||
| + | Als toepassen niet mogelijk is of als het bewijsmiddel niet wordt geaccepteerd, | ||
| + | |||
| + | Bij beide hiervoor beschreven toepassingsmogelijkheden geldt dat, zelfs als er niet gemeld hoeft te worden, de aannemer verantwoordelijk blijft voor de veiligheid en gezondheid van zijn medewerkers. | ||
| + | |||
| + | Het toepassen van (secundaire) bouwstoffen – zowel binnen een sanering als daarbuiten, als onderdeel van het bouwproces – is alleen toegestaan als wordt voldaan aan de expliciete eisen van het Bbk aan (secundaire) bouwstoffen; | ||
| + | {{crow400: | ||
| + | |||
| + | ==== 5.5.4 Niet-toepasbare bodem ==== | ||
| + | Als de uitgenomen bodem en/of baggerspecie volgens het Bbk niet opnieuw toepasbaar is, mag deze nooit op een andere locatie worden hergebruikt. De grond dient te worden afgevoerd naar een erkend grondreinigings- of immobilisatiebedrijf. Alleen in het geval van tijdelijke uitname mag de grond (op dezelfde locatie!) worden hergebruikt. | ||
| + | |||
| + | Voor grond geldt een stortverbod. Alleen als de bodem niet reinigbaar en niet-immobiliseerbaar is, kan een ontheffing (verklaring van niet-reinigbaarheid) worden aangevraagd bij Rijkswaterstaat, | ||
| + | |||
| + | ===== 5.6 Onvoorziene verontreinigingen ===== | ||
| + | Ook als voorafgaand onderzoek heeft uitgewezen dat geen (ernstige) bodemverontreiniging te verwachten is, kan tijdens de uitvoering het tegendeel blijken. Daarom moeten alle medewerkers die bij de uitvoering van een project betrokken zijn, vooraf instructie ontvangen over hoe te handelen als onvoorziene verontreinigingen worden aangetroffen. Daartoe behoort in elk geval het zo spoedig mogelijk informeren van de voor veiligheid verantwoordelijke persoon op het project. | ||
| + | |||
| + | Als tijdens de werkzaamheden onvoorziene (water)bodemverontreinigingen worden aangetroffen, | ||
| + | * De Opdrachtgever neemt indien nodig contact op met het Wbb-bevoegd gezag en stemt hiermee af hoe verder te handelen; | ||
| + | * De Opdrachtgever stelt in samenspraak met de aannemer een (aangepast) plan van aanpak (of een BUS-melding of saneringsplan) op en past (indien nodig) het V& | ||
| + | * Een erkend bedrijf voert een bodemonderzoek uit (op grond van het Besluit bodemkwaliteit en voldoet daarbij aan de NEN 5740) om de aard en de maximale concentratie van de onvoorziene verontreiniging vast te stellen. | ||
| + | |||
| + | Het (aangepaste) plan van aanpak, de BUS-melding of het saneringsplan wordt voorgelegd aan het Wbb-bevoegd gezag; na instemming hiermee wordt het werk uitgevoerd op de beschreven wijze. Onvoorziene bodemverontreinigingen dienen in het V& | ||
| + | {{crow400: | ||
| + | Figuur 5. Deelschema – uitvoering-afronding – hoofd en milieuproces | ||
| + | |||
| + | ===== 5.7 Afronding werkzaamheden ===== | ||
| + | |||
| + | ==== 5.7.1 Afronding locatie niet verontreinigd === | ||
| + | Als in de uitvoeringsfase geen onvoorziene verontreiniging is aangetroffen, | ||
| + | |||
| + | ==== 5.7.2 Afronding locatie verontreinigd ==== | ||
| + | Als in de uitvoeringsfase wel onvoorziene verontreiniging is aangetroffen, | ||
| + | |||
| + | Na uitvoering van een sanering kunnen er nazorgverplichtingen gelden voor de Opdrachtgever en/of de eigenaar en/of de gebruiker. Ook kan contractueel bepaald zijn dat de aannemer nazorgverplichtingen heeft. | ||
| + | |||
| + | De Opdrachtgever dient de verzamelde gegevens over de bodemkwaliteit te documenteren. Gegevens kunnen ook afkomstig zijn van private Opdrachtgevers (denk hierbij aan transacties of bouwvergunningen). | ||
| + | |||
| + | Aanbevolen wordt om de resultaten van eventueel uitgevoerd bodemonderzoek digitaal ter beschikking te stellen in een uniform xml-format (standaard SIKB-format). Partijen die zich conformeren aan deze richtlijn dienen deze aanbeveling op te vatten als een voorwaarde. | ||
| + | |||
| + | ===== 5.8 Behoud van informatie ===== | ||
| + | Als tijdens de voorbereiding van een project vooronderzoek en/of bodemonderzoek is uitgevoerd, is het belangrijk dat de informatie daaruit beschikbaar blijft. Daardoor kan worden voorkomen dat later opnieuw onderzoek moet worden gedaan. Voorwaarde bij hergebruik is uiteraard wel dat de informatie nog steeds betrouwbaar en bruikbaar is. | ||
| + | |||
| + | Om bodeminformatie te behouden en beter te ontsluiten, werken overheden en netbeheerders samen in het initiatief ‘BodemInformatie Delen tussen Overheid en Netbeheerders’ (BIDON). Overheden en netbeheerders hebben baat bij een verbeterde informatiehuishouding. Via een gemeenschappelijke voorziening kunnen gegevens over bodemkwaliteit sneller, eenvoudiger en tegen lagere kosten beschikbaar worden gesteld voor vele partijen. Hiertoe behoren, naast de overheid en de netbeheerders, | ||
| + | |||
| + | Momenteel ontwikkelen diverse partijen risicokaarten voor het werken in de bodem. Het gaat hierbij om data-interpretaties: | ||
| + | |||
| + | **Tabel 3. Schematisch overzicht van activiteiten en verantwoordelijkheden tijdens voorbereidingsfase, | ||
| + | |||
| + | | | |**Verantwoordelijke** ||||| | ||
| + | |**Projectfase** |**Activiteit** |**Initiatief- \\ nemer** |**Opdracht- \\ gever** |**Ontwerper** |**Grond- \\ roerder** |**Beheerder/ | ||
| + | |Voorbereiding|Kennisgeving; | ||
| + | | ::: |Aanstellen van veiligheidskundige ten behoeve van vaststellen definitieve veiligheidsklasse; | ||
| + | |Uitvoering|Toezicht op juiste uitvoering V& | ||
| + | | ::: |Treffen van arbeidshygiënische en veiligheidskundige maatregelen en voorzieningen; | ||
| + | | ::: |Indienen evaluatieverslag bij bevoegd gezag Wbb| |X| | | | | ||
| + | |Gebruik|Overdracht V& | ||
| + | | ::: |Overdracht V& | ||
| + | | ::: |Effectief gebruiken van V& | ||
| + | |||
| + | Tabel 3 geeft een schematisch overzicht van de activiteiten en verantwoordelijkheden van betrokkenen binnen de uitvoeringsfase. | ||
