beheer:crow400:crow400-h6
Verschillen
Dit geeft de verschillen weer tussen de geselecteerde revisie en de huidige revisie van de pagina.
| Beide kanten vorige revisieVorige revisie | |||
| beheer:crow400:crow400-h6 [2026/06/01 10:54] – verwijderd - Externe bewerking (Ongeldige datum) 127.0.0.1 | beheer:crow400:crow400-h6 [2026/06/01 10:54] (huidige) – ↷ Pagina verplaatst van crow400:crow400-h6 naar beheer:crow400:crow400-h6 admin_sasteren | ||
|---|---|---|---|
| Regel 1: | Regel 1: | ||
| + | ====== 6 Gebruiksfase ====== | ||
| + | De gebruiksfase begint normaal gesproken waar de uitvoeringsfase ophoudt. Het onderhoud van tijdelijke locaties wordt gezien als een tussenfase, zoals in het geval van een tijdelijk ingericht depot of in het geval van een in-situ-systeem. In het kader van deze richtlijn vallen onder andere de volgende situaties binnen de tijdelijke onderhoudsfase: | ||
| + | * in stand houden en beheren van in-situ-systemen en waterzuiveringen (zie 6.1); | ||
| + | * | ||
| + | |||
| + | De volgende situaties vallen onder de permanente onderhoudsfase: | ||
| + | * | ||
| + | * | ||
| + | |||
| + | Het V& | ||
| + | |||
| + | In de gebruiksfase bij locaties met restverontreinigingen is het van belang te weten: | ||
| + | * welke restverontreinigingen aanwezig zijn en wat de aard en concentratie daarvan is; | ||
| + | * waar de verontreinigde bodem zich bevindt onder een eventuele leeflaag; | ||
| + | * wat de aard en locatie van isolatielagen is. | ||
| + | {{crow400: | ||
| + | |||
| + | ===== 6.1 Beheer in-situ-systemen en waterzuiveringen ===== | ||
| + | Bij in-situ-systemen wordt een vaste installatie geplaatst waarbij op vastgestelde tijdstippen monsters worden genomen. Op basis van analyse van deze monsters wordt gecontroleerd of de in-situ-systemen nog juist werken en of de doelstellingen met betrekking tot maximale concentraties van stoffen reeds zijn gehaald. Ook bij waterzuiveringen moeten regelmatig monsters worden genomen, van zowel het influent als het effluent. | ||
| + | |||
| + | Bij het nemen van de monsters, doorspoelen van leidingen of uitvoeren van onderhoud aan deze systemen, bestaat de kans op blootstelling aan gevaarlijke stoffen en/of biologische agentia. De veiligheidsklasse voor de werkzaamheden moet vooraf worden vastgesteld (Module 3). Hiervoor worden de analyseresultaten van de genomen monsters gebruikt. Vervolgens wordt, op basis van de vastgestelde veiligheidsklasse en de risico’s van de uit te voeren werkzaamheden, | ||
| + | |||
| + | Tijdens de beheerfase wordt een logboek (Module 6) bijgehouden onder verantwoordelijkheid van de beheerder, waarin wordt opgenomen wanneer en door wie monsters zijn genomen. | ||
| + | |||
| + | Met name waterzuiveringen kunnen stoffen bevatten die kunnen leiden tot risicovolle situaties. Deze kunnen losstaan van de oorspronkelijke verontreinigingen; | ||
| + | {{crow400: | ||
| + | |||
| + | Bij het verwijderen van het in-situ-systeem of de waterzuiveringsinstallatie moet worden vastgesteld of het in gebruik zijnde materieel is verontreinigd. Dit is het geval als de terugsaneerwaarde boven de Interventiewaarde of de humane ernstig risicowaarde ligt. In dat geval dienen materieel en hulpmiddelen vóór het verlaten van de verontreinigde zone te worden gereinigd. Een voorwaarde is uiteraard dat hiervoor toereikende faciliteiten (waaronder een spuitplaats) beschikbaar zijn; zo niet, dan kan de reiniging beter plaatsvinden op een daartoe vergunde inrichting. Als de gereinigde bodem geen verontreiniging meer bevat, is afspoelen van het materieel voldoende. Men dient uit te gaan van het principe dat het materiaal of materieel schoon wordt opgebouwd en schoon wordt afgevoerd. | ||
| + | |||
| + | ===== 6.2 Tijdelijke opslag van verontreinigde grond of baggerspecie ===== | ||
| + | Aan tijdelijke opslag zijn voorwaarden verbonden en goedkeuring van het bevoegd gezag. Ook geldt voor de opslag vaak een maximaal toegestane duur van drie jaar op de landbodem en tien jaar bij opslag op de waterbodem. Dit wordt geregeld in het Bbk (buiten inrichtingen) of in het Activiteitenbesluit of de omgevingsvergunning (binnen inrichtingen). | ||
| + | |||
| + | In het Bbk wordt wat betreft de tijdelijke opslag van verontreinigde bodem of baggerspecie onderscheid gemaakt tussen de volgende situaties: | ||
| + | * | ||
| + | * | ||
| + | * | ||
| + | * | ||
| + | * | ||
| + | |||
| + | De termijnen voor opslag zijn geregeld binnen de milieuwetgeving. Voor de meest actuele termijnen wordt verwezen naar de vigerende wet- en regelgeving. | ||
| + | |||
| + | Het vaststellen van de gewenste arbeidshygiënische maatregelen op een locatie ingericht voor (tijdelijke) opslag dient te geschieden door een veiligheidskundige. Voor de borging moet een V& | ||
| + | |||
| + | De maatregelen moeten zijn afgestemd op alle stappen in het proces, van aanleg tot en met ontmanteling/ | ||
| + | * het treffen van beschermmaatregelen (verbod- of signaleringsbord) om beschadiging van de beschermende maatregelen te voorkomen; | ||
| + | * het voorkomen van verwaaiing van het opgeslagen materiaal; | ||
| + | * het voorkomen van stofvorming; | ||
| + | * het voorkomen of beperken van emissies; | ||
| + | * het beheerst uitvoeren van de werkzaamheden binnen het depot (deze werkzaamheden mogen niet leiden tot onbeheerste emissies). | ||
| + | |||
| + | De op deze locatie uitgevoerde werkzaamheden worden geregistreerd in een logboek. Hierin wordt bijgehouden wie wanneer welke activiteiten en eventuele (lucht)metingen heeft uitgevoerd. | ||
| + | |||
| + | Bij tijdelijke opslag van niet-toepasbare verontreinigde bodem of baggerspecie (boven de interventiewaarde) moet de opslaglocatie op dusdanige wijze zijn opgebouwd en afgeschermd dat onbevoegden geen toegang hebben. Er moet duidelijk zijn aangegeven dat het gaat om een verontreinigde locatie. Bijvoorbeeld met borden met ten minste de tekst ‘Verontreiniging’ en het pictogram ‘Geen toegang voor onbevoegden’. | ||
| + | |||
| + | Op de scheiding tussen de opslaglocatie en de schone zone kan, afhankelijk van het geldende risico (zie Module 4), een sanitaire unit aanwezig zijn voor personeel dat werkzaamheden verricht op de tijdelijke opslaglocatie. Bij het verwijderen van de tijdelijke opslag moeten alle maatregelen worden genomen die de vastgestelde veiligheidsklasse voorschrijft. | ||
| + | |||
| + | Als het op basis van de voorwaarden van het Bbk niet mogelijk is bodem of baggerspecie op te slaan (bijvoorbeeld vanwege CM-stoffen), | ||
| + | |||
| + | ==== Tijdelijke opslag op saneringslocaties ==== | ||
| + | Het vaststellen van de gewenste arbeidshygiënische maatregelen op een locatie ingericht voor (tijdelijke) opslag dient te geschieden door een veiligheidskundige. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij de Opdrachtgever. Voor de borging moet een V& | ||
| + | |||
| + | De maatregelen moeten zijn afgestemd op alle stappen in het proces, van aanleg tot en met ontmanteling/ | ||
| + | |||
| + | * het treffen van beschermmaatregelen (verbod- of signaleringsbord) om beschadiging van de beschermende maatregelen te voorkomen; | ||
| + | * het voorkomen van verwaaiing van het opgeslagen materiaal; | ||
| + | * het voorkomen van stofvorming; | ||
| + | * het voorkomen of beperken van emissies; | ||
| + | * het beheerst uitvoeren van de werkzaamheden binnen het depot (deze werkzaamheden mogen niet leiden tot onbeheerste emissies). | ||
| + | |||
| + | De op deze locatie uitgevoerde werkzaamheden worden geregistreerd in een logboek. Hierin wordt bijgehouden wie wanneer welke activiteiten en eventuele (lucht)metingen heeft uitgevoerd. | ||
| + | |||
| + | Bij tijdelijke opslag van niet-toepasbare verontreinigde bodem of baggerspecie (boven de Interventiewaarde) moet de opslaglocatie op dusdanige wijze zijn opgebouwd en afgeschermd dat onbevoegden geen toegang hebben. Er moet duidelijk zijn aangegeven dat het gaat om een verontreinigde locatie. Bijvoorbeeld met borden met ten minste de tekst ‘Verontreiniging’ en het pictogram ‘Geen toegang voor onbevoegden’. | ||
| + | |||
| + | Op de scheiding tussen de opslaglocatie en de schone zone kan, afhankelijk van het geldende risico (zie Module 4), een sanitaire unit aanwezig zijn voor personeel dat werkzaamheden verricht op de tijdelijke opslaglocatie. Bij het verwijderen van de tijdelijke opslag moeten alle maatregelen worden genomen die de vastgestelde veiligheidsklasse voorschrijft. | ||
| + | |||
| + | Als het op basis van de voorwaarden van het Bbk of de RUS niet (langer) mogelijk is bodem of baggerspecie op te slaan (bijvoorbeeld vanwege CM-stoffen), | ||
| + | |||
| + | ==== Tijdelijke opslag elders ==== | ||
| + | Aan tijdelijke opslag zijn voorwaarden verbonden. Ook geldt voor de opslag vaak een maximaal toegestane duur van drie jaar op de landbodem en tien jaar bij opslag op de waterbodem. Dit wordt geregeld in het Bbk (buiten inrichtingen) of in het Activiteitenbesluit of de omgevingsvergunning (binnen inrichtingen). | ||
| + | |||
| + | In het Bbk wordt wat betreft de tijdelijke opslag van verontreinigde bodem of baggerspecie onderscheid gemaakt tussen de volgende situaties: | ||
| + | * | ||
| + | * | ||
| + | * | ||
| + | * | ||
| + | * | ||
| + | |||
| + | De voorwaarden en termijnen voor opslag zijn geregeld in de milieuregelgeving. Hiervoor wordt verwezen naar de vigerende wet- en regelgeving (Activiteitenbesluit en Besluit bodemkwaliteit). | ||
| + | |||
| + | ===== 6.3 Restverontreiniging: | ||
| + | De maatregelen die nodig zijn om mobiele en niet mobiele restverontreinigingen te isoleren, volgen uit het saneringsplan of uit het BUS. Indien er vooraf geen maatregelen gepland of verwacht waren maar er tijdens de uitvoering onverwacht restverontreinigingen zijn achtergebleven worden hierover met het bevoegd gezag Wbb afspraken gemaakt. Als na een sanering een restverontreiniging achterblijft, | ||
| + | |||
| + | De resultaten van het evaluatieverslag moeten worden opgenomen in het V& | ||
