beheer:nipa:soortenlijst
Verschillen
Dit geeft de verschillen weer tussen de geselecteerde revisie en de huidige revisie van de pagina.
| Beide kanten vorige revisieVorige revisie | |||
| beheer:nipa:soortenlijst [2026/06/01 10:54] – verwijderd - Externe bewerking (Ongeldige datum) 127.0.0.1 | beheer:nipa:soortenlijst [2026/06/01 10:54] (huidige) – ↷ Pagina verplaatst van nipa:soortenlijst naar beheer:nipa:soortenlijst admin_sasteren | ||
|---|---|---|---|
| Regel 1: | Regel 1: | ||
| + | ====== Amfibieën ====== | ||
| + | |||
| + | ==== Alpenwatersalamander ==== | ||
| + | |||
| + | Het zwaartepunt van de verspreiding van de **Alpenwatersalamander** ligt in Noord-Brabant en Lim-burg. Buiten beide genoemde provincies is de soort bekend van Zeeuws-Vlaanderen, | ||
| + | |||
| + | ==== boomkikker ==== | ||
| + | |||
| + | De **boomkikker** heeft een voorkeur voor het landschapstype ‘bos en struweel’. Dit komt vooral voor rekening van de vele waarnemingen in braamstruwelen. Daarnaast wordt de boomkikker gemeld uit agrarisch gebied (halfopen, kleinschalige cultuurlandschappen), | ||
| + | |||
| + | ==== gewone pad ==== | ||
| + | |||
| + | De **gewone pad** komt in vele habitats voor en heeft een voorkeur voor kleinschalig, | ||
| + | |||
| + | ==== heikikker ==== | ||
| + | |||
| + | De **heikikker** heeft een zeer duidelijke voorkeur voor de landschapstypen heide, hoogveen, laagveen en halfnatuurlijk grasland. Ook wordt de soort gemeld uit bos en struweel, een belangrijke habitat voor de populaties uit de Vijfheerenlanden en het Kromme Rijngebied. De heikikker is duidelijk een cultuurvliedende soort die nauwelijks wordt aangetroffen in te intensief gebruikt agrarisch landschap, rond infrastructuur en bebouwing. De heikikker blijkt, in vergelijking tot bijvoorbeeld de bruine kikker, een vennensoort bij uitstek. Daarnaast komt de soort voor in kleine geïsoleerde wateren en in sloten (in laagveen, klei-op-veen en komkleigebieden). In rivierbegeleidende wateren (kleiputjes) wordt de soort alleen langs de Nederrijn/ | ||
| + | |||
| + | ==== kamsalamander ==== | ||
| + | |||
| + | Het landschap waarin de **kamsalamander** wordt aangetroffen is bosrijk, bevat houtwallen of stru-weel en wordt vaak gekenmerkt door kleinschaligheid in de directe omgeving van het voortplan-tingswater. Kamsalamanders komen zelden in akkerbouwgebieden voor. Ze komen relatief veel voor langs de grote rivieren, in beekdalen en op landgoederen. Kamsalamanders komen voor in een verscheidenheid aan typen visvrije wateren. Op de zandgronden en in beekdalen leeft de soort in poelen, vijvers, matig voedselrijke (mesotrofe) vennen en in leemputten. In het rivierengebied komt de soort voor in zelden overstromende (laagdynamische) strangen, kleiputten en kolken. Het voortplantingsbiotoop bestaat voornamelijk uit matig voedselrijke tot voedselrijke, | ||
| + | |||
| + | ==== poelkikker ==== | ||
| + | |||
| + | De **poelkikker** is een zon- en warmteminnende soort met een voorkeur voor onbeschaduwde wate-ren. De oeverzone moet bij voorkeur goed begroeid zijn. En het water is vaak vrij omvangrijk of maakt deel uit van een groter complex van wateren. De Poelkikker is een kritische soort, die houdt van voedselarm, schoon water. In het plangebied is geen water aanwezig en derhalve niet geschikt voor de poelkikker. | ||
| + | |||
| + | ==== rugstreeppad ==== | ||
| + | |||
| + | Voor de **rugstreeppad** zijn open gebieden met slechts hier en daar schuilplaatsen een geschikte habitat, liefst met zandgrond om goed te kunnen graven, maar er zijn ook populaties bekend die leven op een rotsachtige ondergrond, ze schuilen dan in de rotsspleten. Rugstreeppadden zijn aangetroffen in uiteenlopende omgevingen, zoals militaire oefenterreinen, | ||
| + | https:// | ||
| + | |||
| + | |||
| + | ====== Vaatplanten ====== | ||
| + | |||
| + | ==== akkerboterbloem ==== | ||
| + | De standplaats van **akkerboterbloem** is een open, vrij droge kalkrijke en leemrijke akker, vooral onder wintergraan. De zaden rijpen eerder dan het graan en worden door de haakvormige uitsteeksels door mens en dier verspreid. Vooral de schapen die na de oogst het land begraasden namen de zaden in hun vacht mee. | ||
| + | |||
| + | |||
| + | ==== blaasvaren ==== | ||
| + | |||
| + | De **blaasvaren** komt voor op matig voedselrijke, | ||
| + | |||
| + | ==== dreps ==== | ||
| + | |||
| + | **Dreps** is een grassoort die op zonnige, open plaatsen op matig droge, vrij kalkarme, matig voedselrijke, | ||
| + | |||
| + | ==== drijvende weegbree ==== | ||
| + | **Drijvende waterweegbree** is een plant die groeit in helder, voedselarm tot matig voedselrijk (fosfaatarm), | ||
| + | |||
| + | |||
| + | ==== grote leeuwenklauw ==== | ||
| + | |||
| + | De **grote leeuwenklauw** komt voor op zonnige, open plaatsen, op vochtige tot vrij droge, goed gedraineerde, | ||
| + | |||
| + | ==== grote bosaardbei ==== | ||
| + | |||
| + | De **grote bosaardbei** groeit op half beschaduwde plekken op een vrij droge tot vrij vochtige grond. De bodem dient matig voedselrijk en kalkrijk te zijn. De ondergrond kan uit leem, zand, zavel, lichte klei en löss bestaan. De soort wordt aangetroffen in bossen (lichte loofbossen, vooral bij buitenplaatsen), | ||
| + | |||
| + | ==== korensla ==== | ||
| + | |||
| + | **Korensla** prefereert open, zonnige, droge, stikstofarme, | ||
| + | |||
| + | ==== groenknolorchis ==== | ||
| + | **Groenknolorchis** staat op iets open, zonnige tot licht beschaduwde, | ||
| + | |||
| + | ==== groot spiegelklokje ==== | ||
| + | |||
| + | Het **groot spiegelklokje** komt voor op zonnige, open plaatsen op vochtige, matig voedselrijke, | ||
| + | |||
| + | ==== kartuizer anjer ==== | ||
| + | De **karthuizer anjer** staat op zonnige, warme en droge, matig voedselarme en uitgesproken stikstofarme, | ||
| + | |||
| + | ==== knolspirea ==== | ||
| + | |||
| + | De **knolspirea** staat op zonnige, matig voedselarme tot matig voedselrijke, | ||
| + | |||
| + | ==== Kluwenklokje ==== | ||
| + | **Kluwenklokje** komt oorspronkelijk in Nederland in het wild voor langs de rivieren en is verder bekend uit Zuid-Limburg zonder dat het daar vaste voet heeft gekregen. De natuurlijke groeiplaats is op zonnige en matig vochtige bodem van kalk- of humushoudend zand, klei of leem. De plant kan tegen lichte bemesting en begrazing. In de soortenrijkere variant van de associatie Lolio-Cynosuretum (Kamgrasweide) komt Campanula glomerata voor op zandige kaden en oeverwallen langs de rivieren. Verder wordt Kluwenklokje genoemd als zeer zeldzame blauwgraslandplant in de klasse der matig voedselrijke graslanden (Molinio-Arrhenatheretea), | ||
| + | |||
| + | ==== Muurbloem ==== | ||
| + | De wilde **muurbloem** groeit vooral op oude muren van kerken, ruïnes, stadswallen en forten. Voorwaarde is dat de specie tussen de stenen veel kalk bevat. | ||
| + | |||
| + | ==== Naaldenkervel ==== | ||
| + | **Naaldenkervel** staat op zonnige, droge tot matig vochtige, kalkrijke, stikstofarme tot matig-stikstofrijke, | ||
| + | |||
| + | |||
| + | ==== Ruw Parelzaad ==== | ||
| + | **Ruw parelzaad** groeit op graanakkers op matig vochtige kalkrijke grond. | ||
| + | |||
| + | ==== Schubvaren ==== | ||
| + | De **schubvaren** staat op zonnig tot half beschaduwd, warm, droog, zwak basisch tot kalkrijk, niet te voedselarm tot niet te voedselrijk, | ||
| + | |||
| + | ==== Spits Havikskruid ==== | ||
| + | **Spits havikskruid** is een lichtminnende soort, met een voorkeur voor matig natte tot matig droge, licht zure tot zure bodems. Ze groeit graag op lemig zand, zandleem en leem, maar ook op wat vochtiger zand kan ze aangetroffen worden. De soort houdt niet van bemesting, apprecieert matig stikstof en mijdt fosfaat. Haar groeiplaatsen zijn zeer divers: schrale weg-, kanaal- en spoorwegbermen, | ||
| + | |||
| + | ==== Stijve Wolfsmelk ==== | ||
| + | **Stijve wolfsmelk** staat op open, zonnige tot licht beschaduwde, | ||
| + | |||
| + | |||
| + | ==== tengere distel ==== | ||
| + | **Tengere distel** staat op open, zonnige, droge, stikstofrijke, | ||
| + | |||
| + | |||
| + | ==== wilde ridderspoor ==== | ||
| + | De **wilde ridderspoor** komt voor op zonnige plaatsen op vochtige, matig voedselrijke, | ||
| + | |||
| + | ====== Zoogdieren ====== | ||
| + | |||
| + | ==== Bever ===== | ||
| + | |||
| + | **Bevers** zijn afhankelijk van gebieden met water en aangrenzende bosgebieden. Ze hebben een voorkeur voor riviervalleien met veel uiterwaarden, | ||
| + | |||
| + | |||
| + | ==== boommarter ==== | ||
| + | Vroeger kwam de **boommarter** op bijna alle hogere gronden van Nederland voor. Tegenwoordig leven er populaties boommarters op de Veluwe, de Utrechtse Heuvelrug en de Drents-Friese wouden. Daarnaast komen er boommarters voor in de Gelderse Vallei, het Langbroeker Weteringgebied (Utrecht), het Utrechts – Noord-Hollandse plassengebied, | ||
| + | |||
| + | Boommarters kiezen hun rustplaatsen vaak in boomholten, konijnen-, vossen- of dassenholen, | ||
| + | |||
| + | ==== bosmuis ==== | ||
| + | |||
| + | De **bosmuis** komt, ondanks zijn naam doet vermoeden, voor in zowel bossen als open terreinen, zolang er maar voldoende dekking is zoals lage begroeiing of verspreid liggende stenen. De bosmuis is te vinden in duinen, heide, akkers, wegbermen, niet te natte rietlanden en braakliggend land. Maar ook in boomgaarden, | ||
| + | |||
| + | ==== bunzing ==== | ||
| + | |||
| + | De **bunzing** komt voor in allerlei verschillende landschapstypen, | ||
| + | |||
| + | ==== das ==== | ||
| + | |||
| + | De **das** leeft in allerlei soorten biotopen, met een voorkeur voor kleinschalig akker- en weidelandschap met verspreide bosjes, heggen en houtwallen. Maar ook andere open terreinen, zoals vochtige heiden en rivierdalen zijn geschikte gebieden. Zelfs in afgravingen, | ||
| + | |||
| + | ==== damhert ==== | ||
| + | |||
| + | Het **damhert** komt van nature voor in volwassen loofbossen en gemengde bossen, zelden in naaldbossen. Hij heeft een voorkeur voor bossen met een dichte onderbegroeiing, | ||
| + | |||
| + | ==== dwergmuis ==== | ||
| + | |||
| + | De **dwergmuis** komt voor in hoog gras, zeggen en graan- en rietvelden, ruigten en dijkbegroeiing, | ||
| + | |||
| + | |||
| + | ==== eekhoorn ==== | ||
| + | |||
| + | **Eekhoorns** komen voor in loofbos, naaldbos of gemengd bos maar ook in tuinen, parken en houtwallen in de buurt van bos. Mits er voldoende voedsel beschikbaar is, komen ze ook in bebouwd gebied. Hun voorkeur gaat uit naar ouder bos (naaldbomen ouder dan 20 jaar en loofbomen ouder dan 40-80 jaar) omdat daar meer voedsel en nestgelegenheid is. | ||
| + | |||
| + | ==== egel ==== | ||
| + | |||
| + | In onze streken leeft de **egel** in bijna alle landschappen. In sommige gebieden zijn ze echter algemener dan in andere. Tuinen, bosranden, struweel en loofbos, liefst met ondergroei, zijn goede leefgebieden. Egels komen ook in steden voor, zolang er maar groen en schuilplaatsen aanwezig zijn. De egel komt bijna overal in West-Europa vrij algemeen voor. | ||
| + | |||
| + | |||
| + | ==== hamster ==== | ||
| + | De **hamster** is oorspronkelijk een steppebewoner, | ||
| + | |||
| + | |||
| + | ==== hermelijn ==== | ||
| + | |||
| + | De **hermelijn** komt in alle habitats voor, van open plekken, in bossen, houtwallen, duinen, akkers tot vochtig terrein. De enige voorwaarde is dat er voldoende dekking aanwezig is. De soort is dan ook aanwezig in heel het vasteland van Nederland en op Texel. Aangezien beschutting ontbreekt in het plangebied, is de soort uit te sluiten. | ||
| + | |||
| + | ==== huisspitsmuis ==== | ||
| + | **Huisspitsmuizen** leven in allerlei soorten gebieden. In graslanden, bosranden, weiden, tuinen, parken, heggen en het gehele jaar door ook in gebouwen. Ze geven de voorkeur aan droge leefomstandigheden. In de nabijheid van menselijke nederzettingen is de huisspitsmuis vaak te vinden in huizen, boerderijen, | ||
| + | |||
| + | ==== ree ==== | ||
| + | Het **ree** leeft in bosachtige streken met open plekken en aangrenzende velden, maar ook in heidevelden, | ||
| + | |||
| + | ====rosse woelmuis==== | ||
| + | De **rosse woelmuis** leeft bij voorkeur in loof- en gemengd bos met daaronder een struik- of kruidlaag, maar hij komt ook voor in jonge aanplant en in naaldbos. Ook leeft hij in houtwallen, heggen, bosranden en parken. Hij waagt zich zelden in open gebieden zonder beschutting. | ||
| + | |||
| + | |||
| + | ==== steenmarter ==== | ||
| + | |||
| + | De **steenmarter** dankt zijn naam aan zijn voorkeur voor steenachtige biotopen en schuilplaatsen, | ||
| + | |||
| + | ==== Otter ==== | ||
| + | |||
| + | De **otter** komt oorspronkelijk in geheel Europa voor (met uitzondering van IJsland en eilanden in de Middellandse Zee), het grootste gedeelte van Azië en in Noordwest-Afrika. | ||
| + | In Nederland is het dier in de tachtiger jaren uitgestorven en ook in andere landen is de otter in aantal afgenomen. Sinds 2002 is in Nederland begonnen met herintroductie. Momenteel komt de otter weer voor in Noordwest-Overijssel, | ||
| + | De otter leeft in oeverzones met voldoende dekking en rust van allerlei soorten stromende wateren, zoals meren, plassen, rivieren, kanalen, beken en moerassen. Maar ook in kustzones, rotskusten en estuaria. In Tibet komt de otter zelfs in de bergen voor. | ||
| + | Ze leven in schoon en zoet water, waar voldoende voedsel, dekking en rust is. In brakke en zoute wateren (in Europa) komen ze alleen voor als er zoet water in de omgeving is, omdat ze dat nodig hebben voor het schoonhouden van hun pels en als drinkwater. | ||
| + | |||
| + | ==== veldmuis ==== | ||
| + | De veldmuis komt voor in open gebieden met grassen en/of granen, zoals graanakkers, | ||
| + | |||
| + | ==== vos ==== | ||
| + | De vos komt in vele leefgebieden voor, zowel in bos en parken, heide en venen, duinen, polders en landbouwgebieden maar ook aan de randen van of in dorpen en steden. Hij leeft waar voldoende voedsel en dekking is en jaagt bij voorkeur in het overgangsgebied van biotopen omdat daar het meeste voedselaanbod is. Door het ontbreken van voldoende schuilmogelijkheden is de vos binnen het plangebied uit te sluiten. | ||
| + | |||
| + | ==== Waterspitsmuis ==== | ||
| + | De **waterspitsmuis** komt voor in en langs schoon, niet te voedselrijk, | ||
| + | |||
| + | ==== Wezel ==== | ||
| + | |||
| + | |||
| + | **Wezels** leven bij voorkeur in open, droge natuur- en cultuurlandschap maar verder in veel verschil-lende biotopen (zoals bossen, duinen, wei- en akkerland). Wezels stellen weinig specifieke eisen aan de aard van hun verblijfplaatsen. Dankzij de geringe vereisten inzake afmetingen is er veelal een overvloed aan verblijfplaatsen aanwezig in allerlei hoedanigheden. Het kan daarbij gaan om takken-bossen, | ||
| + | |||
| + | ==== Marterachtigen ==== | ||
| + | [[https:// | ||
| + | |||
| + | Als rust- en verblijfplaats worden aangemerkt: | ||
| + | • Holen | ||
| + | • Houtstapels | ||
| + | • Hole bomen | ||
| + | • Mollennesten | ||
| + | • Drainagepijpen | ||
| + | • Takkenrillen | ||
| + | • Hooi- en strobalen | ||
| + | • Stapels stenen en puin | ||
| + | • Gaten en holten | ||
| + | • Schuurtjes, | ||
| + | Opgemerkt wordt dat de plaatsen goed geïsoleerd/ | ||
| + | |||
| + | De foerageergebieden zijn hoofdzakelijk struwelen, bosranden en groene oevers. | ||
| + | |||
| + | “Bij de keuze voor een locatie voor de rustplaatsen is het van belang dat de in- en de uitgang van de rustplaats dekking biedt en in verbinding staat met lijnvormige groene elementen zodat de rustplaats veilig kan worden bereikt.” | ||
| + | Hoewel verder niets beschreven staat over de soort rustplaats in bebouwing ga ik er even vanuit dat oude dozen (kleine beschutte ruimte), hooibalen, kasten (met kleding ofzo, om een hol / beschutte ruimte te creëren) noodzakelijk zijn. Wel is aangegeven dat rustplaatsen van wezel en bunzing in bebouwing vermoedelijk alleen in de winter worden gebruikt. | ||
| + | |||
| + | Bijvoorbeeld een garage bij een woning biedt mijn inziens niet zo snel de benodigde beschutting. Een schuur/stal in het buitengebied echter kan, indien de uitgang grenst aan beschut gebied, geschikt zijn. Bij het aantreffen van hooi of stro (in opslag, ter plaatse van het vee is teveel verstoring) kunnen wij er mijn inziens niet onderuit een nader onderzoek te adviseren. Bij de bunzing kunnen we nog wel aangeven dat ze afhankelijk zijn van een waterrijke omgeving, wat een escape-route zou kunnen zijn. | ||
| + | |||
| + | |||
| + | ==== vleermuizen ==== | ||
| + | |||
| + | === gebouwen en bomen === | ||
| + | |||
| + | De **baardvleermuis** bewoont in de zomer bomen, nest- of vleermuiskasten, | ||
| + | Als winterverblijf worden vooral ondergrondse ruimten gebruikt: mergelgroeven, | ||
| + | |||
| + | |||
| + | Uit het buitenland zijn verblijfplaatsen van de **ruige dwergvleermuis** vooral aangetroffen in spleten en gaten in bomen, in nest- en vleermuiskasten, | ||
| + | (Kraam)kolonies variëren van vijftig tot honderdvijftig dieren. Ze gebruiken meerdere verblijfplaatsen en verhuizen relatief vaak. Ze jagen tot op 5 á 10 km van de verblijfplaats. Vliegroutes volgen zoveel mogelijk lijnvormige structuren. | ||
| + | Roepende territoriale mannetjes en paarverblijven zijn gevonden in nest- en vleermuiskasten, | ||
| + | Als winterverblijf zijn gebouwen (spouwmuur, dakpannen, betimmering), | ||
| + | |||
| + | |||
| + | === gebouwen === | ||
| + | |||
| + | (Kraam)kolonies ** gewone dwergvleermuis** zijn in Nederland vooral in gebouwen, in spouwmuren, achter betimmering en daklijsten, of onder dakpannen gevonden. De groepsgroottes lopen uiteen van enkele tientallen tot meer dan tweehonderd dieren. Gewone dwergvleermuizen zijn plaatstrouw, | ||
| + | |||
| + | In de bebouwde kom zijn de baltsvluchten van roepende mannetjes in hun territorium in de herfst gemakkelijk op te sporen. De paarverblijven in spleten in en om gebouwen zijn echter moeilijk te vinden. Vaak liggen er in een stad of dorp veel territoria in één bepaalde wijk. | ||
| + | |||
| + | Gebouwen worden ook als winterverblijf gebruikt, waarbij vergelijkbare plaatsen als in de zomer benut worden. Systematisch zoeken naar winterslapende dieren is daardoor moeilijk. Overwinterende gewone dwergvleermuizen worden vooral bij toeval gevonden in spouwmuren, onder dakpannen, achter betimmering en daklijsten. Daarnaast zijn ze ook in spleten in de muur van kerktorens, en in spleten in grotten, groeves, betonnen bruggen en parkeergarages en dergelijke gevonden. Ze worden als solitaire overwinteraar, | ||
| + | |||
| + | Kraamkolonies van de **laatvlieger** komen voorzover bekend alleen in gebouwen voor. Ze wonen in de spouwmuur, achter de betimmering, | ||
| + | |||
| + | In de winter zoeken laatvliegers nauwe en relatief droge plaatsen op zoals spouwmuren, spleten en scheuren in zolders, oude kelders en soms ook kieren dicht bij de ingang van grotten. | ||
| + | Omdat ze vaak diep weggekropen zijn is de kans dat ze op dergelijke plekken ontdekt worden relatief klein. | ||
| + | |||
| + | === bomen === | ||
| + | De **rosse vleermuis** is in West-Europa een uitgesproken boombewonende soort. Zowel solitaire mannetjes, groepen vrouwtjes met jongen, als dieren in winterslaap gebruiken boomholten als onderkomen. Doordat de rosse vleermuis tamelijk luidruchtig is, en de geluiden ook zonder hulpmiddelen vaak goed te horen zijn, zijn de verblijfplaatsen relatief makkelijk te vinden. Zodoende is het gebruik van boomholten door de rosse vleermuis ook al lange tijd bekend. | ||
| + | |||
| + | ====== Insecten ====== | ||
| + | |||
| + | |||
| + | ==== bosbeekjuffer ==== | ||
| + | De habitat van de **bosbeekjuffer** bestaat uit bovenlopen (soms middenlopen) van beschaduwde, | ||
| + | |||
| + | |||
| + | ==== gestreepte waterroofkever ==== | ||
| + | |||
| + | De belangrijkste biotopen in Nederland voor de **gestreepte waterroofkever** zijn sloten en kanalen met een breedte tussen 1,5 en 20 meter, een diepte tussen de 50 en 150 centimeter met helder water, en meestal een vrij spaarzame vegetatie van drijvende en submerse waterplanten waarbij een krooslaag afwezig dient te zijn. | ||
| + | |||
| + | ==== gevlekte witsnuitlibel ==== | ||
| + | |||
| + | De habitat van de **gevlekte witsnuitlibel** bestaat uit laagveenmoerassen en vegetatierijke vennen en duinplassen. De meeste gevlekte witsnuitlibellen zijn te vinden bij verlandingszones van laagveenmoerassen. Daarnaast kunnen ze voorkomen in bosplassen en verlandingszones van hoogveen- en heidevennen op de hoge zandgronden en randzones van hoogveen. In de duinen is de soort gevonden bij verlandingsvegetaties met een laagveenkarakter. Zowel vegetatieloze als dichtgegroeide wateren worden gemeden. In Nederland worden de grootste aantallen aangetroffen in de laagveenmoerassen van Noordwest-Overijssel. | ||
| + | |||
| + | ==== Groene glazenmaker ==== | ||
| + | |||
| + | De **groene glazenmaker** vindt zijn habitat in stilstaande wateren met dichte krabbenscheervelden: | ||
| + | |||
| + | ==== Grote Vos ==== | ||
| + | De **grote vos** komt voor in vochtige, open bossen, bosranden, boomgaarden en andere plekken met grote vrijstaande bomen. Ook zwervende individuen worden vooral in een bosrijke omgeving gevonden. De vlinders zijn vooral te vinden op warme, zonnige, open maar beschutte plaatsen. Ook moeten er geschikte plaatsen zijn om te overwinteren, | ||
| + | |||
| + | ==== grote weerschijnvlinder ==== | ||
| + | De **grote weerschijnvlinder** komt voor in vochtige oudere loofbossen met open plekken erin. Vaak zijn het structuurrijke bossen uit verschillende boomsoorten met beekdalen en paden met brede bermen. De mannetjes en vrouwtjes ontmoeten elkaar bij opvallende, uit het kronendak of de bosrand stekende oude bomen als eiken. Als waardplanten dienen verschillende wilgensoorten (Salix). De vlinders zitten graag bij poelen op de weg en op de mest van andere dieren. De onderzoekslocatie vormt derhalve geen geschikt habitat voor deze vlindersoort. | ||
| + | |||
| + | |||
| + | ==== iepenpage ==== | ||
| + | |||
| + | De **iepenpage** komt voor waar voldoende | ||
| + | |||
| + | ==== kleine ijsvogelvlinder ==== | ||
| + | |||
| + | Kleine ijsvogelvlinders komen voor in vochtige gemengde bossen of loofbossen, zoals elzenbroekbos. Geschikte waardplanten (wilde kamperfoelie; | ||
| + | |||
| + | ==== rivierrombout ==== | ||
| + | |||
| + | De habitat van de **rivierrombout** bestaat uit rivieren en grote beken, vooral op plaatsen waar zand of slib is afgezet. Het larvenhabitat bestaat uit zandige substraten in ondiepe, onbegroeide, | ||
| + | |||
| + | ==== sleedoornpage ==== | ||
| + | De **sleedoornpage** heeft de sleedoorn en enkele andere gecultiveerde Prunus-soorten (o.a. pruim) als waardplant. De soort komt voor in sleedoornstruwelen, | ||
| + | |||
| + | |||
| + | ==== teunisbloempijlstaart ==== | ||
| + | De **teunisbloempijlstaart** is afhankelijk van het wilgenroosje, | ||
| + | |||
| + | ==== vliegend hert ==== | ||
| + | Het **vliegend hert** komt vooral voor in eikenbossen en geldt als een typische bewoner van oude, nauwelijks door mensen beroerde loofbossen. Daar blijven voldoende omgevallen bomen liggen die door de larven gebruikt kunnen worden als voedsel. Hierdoor is de onderzoekslocatie geen geschikt leefgebied voor het vliegend hert. | ||
| + | |||
| + | |||
| + | |||
| + | ====== Reptielen ====== | ||
| + | |||
| + | ==== hazelworm | ||
| + | |||
| + | De habitat van de **hazelworm** bestaat uit vochtige, begroeide omgevingen met een strooisellaag waarin het dier kan schuilen en jagen. De hazelworm is voornamelijk te vinden in bossen op open plekken, bosranden en houtwallen. Ook in door de mens aangepaste omgevingen kan de hazelworm zich handhaven, zoals houtwallen, kalkgraslanden, | ||
| + | |||
| + | ==== levendbarende hagedis ==== | ||
| + | |||
| + | De **levend barende hagedis** heeft heide en hoogveen als voorkeurshabitat. De soort komt ook voor in open bossen en ruige graslanden, in bermen van (spoor)wegen en in een beperkt deel van de duinen. De levendbarende hagedis is een vochtminnende soort die in de genoemde landschapstypen veel wordt aangetroffen op oevers en vochtige terreindelen. Er zijn ook enkele waarnemingen bekend uit laagveen. Levendbarende hagedissen eten voornamelijk geleedpotigen, | ||
| + | |||
| + | ==== ringslang ==== | ||
| + | |||
| + | De **ringslang** is gebonden aan waterrijke habitats. Deze liggen veelal op zandgronden en op de overgangen van zandgrond naar veen- en kleigronden. Grote oppervlaktes laag gelegen, nat gebied worden gemeden, omdat de soort daar vaak niet alle stadia van zijn levenscyclus kan doorlopen. Met name de ontwikkeling van de eieren en de overwintering vormen in polders een probleem. | ||
| + | Ringslangen zonnen vaak op dijkjes in de buurt van water, waar ze jagen op voornamelijk amfibieën en soms andere gewervelde dieren waaronder vissen. | ||
| + | |||
| + | ==== muurhagedis ==== | ||
| + | |||
| + | De **muurhagedis** is een warmteminnende soort, die in het noorden van zijn verspreidingsgebied alleen voorkomt in rivierdalen, | ||
| + | |||
| + | ==== zandhagedis ==== | ||
| + | In Nederland is de **zandhagedis** sterk gebonden aan duin- en heidegebieden. In het binnenland en in de kalkarme duinen wordt hij vooral aangetroffen in droge struikheideterreinen. In de kalkrijke duinen komen de meeste zandhagedissen voor in het open struweelduin. | ||
| + | |||
| + | |||
| + | ===== Vissen ===== | ||
| + | |||
| + | ==== grote modderkruiper ==== | ||
| + | |||
| + | De **grote modderkruiper** prefereert ondiepe wateren met een dikke modderlaag en een uitbundige waterplantengroei. De soort houdt zich overdag verscholen en voedt zich ‘s nachts met kleine ongewervelden zoals wormen, watervlooien, | ||
| + | |||
| + | |||
| + | ==== beekprik ==== | ||
| + | De **beekprik** komt voor in matig tot snelstromende wateren zoals rivieren en beken. De beekprik is afhankelijk van zeer zuurstofrijk water en er dient een sliblaag op de bodem van de watergang aanwezig te zijn waar de larven van de beekprik zich kunnen ingraven. | ||
| + | |||
| + | ===== Weekdieren ===== | ||
| + | |||
| + | ==== platte schijfhoren ==== | ||
| + | De **platte schijfhoren** komt voor in zoete, heldere en schone wateren met een rijke begroeiing. Vaak in draadalg-vegetaties. Ook in andere vegetaties, zoals in wateren met krabbescheer. Daarnaast komt deze soms ook voor op de wortels van o.a. Lisdodde en vergelijkbare oevergebonden planten. De soort leeft niet in verontreinigd of brak water. | ||
| + | |||
