Gebruikershulpmiddelen

Site-hulpmiddelen


beheer:samen:opzetten

Verschillen

Dit geeft de verschillen weer tussen de geselecteerde revisie en de huidige revisie van de pagina.

Link naar deze vergelijking

Beide kanten vorige revisieVorige revisie
beheer:samen:opzetten [2026/06/01 10:53] – verwijderd - Externe bewerking (Ongeldige datum) 127.0.0.1beheer:samen:opzetten [2026/06/01 10:53] (huidige) – ↷ Pagina verplaatst van samen:opzetten naar beheer:samen:opzetten admin_sasteren
Regel 1: Regel 1:
 +====== Opzetten ======
 + 
 +===== 5740 - ONV-NL =====
 +
 +|Oppervlakte locatie //A// ha|Aantal boringen|||Aantal te analyseren (meng)monsters|||
 +| |Boring tot 0,5 m|Boring tot gw / 2m |Boring met peilbuis|Bovengrond|Ondergrond|Grondwater|
 +|A≤ 0,01|2|—|1|1|1|1|
 +|0,01 < A≤ 0,05|2|1|1|1|1|1|
 +|0,05 < A≤ 0,10|4|1|1|1|1|1|
 +|0,10 < A≤ 0,15|6|1|1|1|1|1|
 +|0,15 < A≤ 0,20|8|2|1|2|1|1|
 +|0,20 < A≤ 0,30|9|2|1|2|1|1|
 +|0,30 < A≤ 0,40|10|2|1|2|1|1|
 +|0,40 < A≤ 0,50|11|3|1|2|1|1|
 +|0,50 < A≤ 0,70|12|3|1|2|2|1|
 +|0,70 < A≤ 0,90|13|4|2|3|2|2|
 +|0,90 < A≤ 1,0|14|4|2|3|2|2|
 +|A> 1,0|7 + 7p|2 + 2p|1 + 1p|2 + 1p|1 + 1p|1 + 1p|
 +<sup>a</sup> Indien de grondwaterspiegel zich ondieper dan 1,0 m beneden het maaiveld bevindt, geldt een boordiepte van 1,0 m. Indien de grondwaterspiegel zich dieper dan 2,0 m beneden het maaiveld bevindt, geldt een boordiepte van 2,0 m.
 +<sup>b</sup> Indien de grondwaterspiegel zich dieper dan 5,0 m beneden het maaiveld bevindt, kan het plaatsen van peilbuizen achterwege blijven. Er wordt wel geboord tot een diepte van 2 m. Indien de diepte van de grondwaterspiegel niet bekend is, geldt een boordiepte van 5 m.
 +<sup>c</sup> p is de getalswaarde van de oppervlakte van de locatie, in ha (p > 1 ha). De aantallen boringen moeten worden afgerond op gehele getallen, waarbij het totaal aantal boringen steeds 10 + 10p moet bedragen.
 +
 +----
 +
 +===== 5740 - ONV-L =====
 +
 +|lengte tracé L m|Aantal boringen||Aantal te analyseren (meng)monsters|||
 +| |Boring tot 0,25 m onder ontgravingsdiepte| Én boring met peilbuis <sup>a</sup>|Grond||Grondwater|
 +| | | |Bovengrond|Ondergrond| |
 +|≤ 1000|1p|1+0,05p|1+0,05p|1+0,05p|1+0,05p|p<sup>b</sup>=L/50|
 +|1000 ≤ 10000|10+p|1+0,1p|1+0,1p|1+0,1p|1+0,1p|p<sup>b</sup>=L/100|
 +//<sup>a</sup> Grondwateronderzoek wordt alleen uitgevoerd als de grondwaterspiegel hoger is dan 0,25 m onder de maximale ontgravingsdiepte. Indien de grondwaterspiegel zich dieper bevindt, kan het plaatsen van peilbuizen achterwege blijven. De peilbuizen worden dan vervangen door boringen tot 0,25 m onder de ontgravingsdiepte.
 +<sup>b</sup> Afronden op hele getallen//
 +
 +----
 +
 +===== 5740 - ONV-GR-NL =====
 +
 +|Oppervlakte locatie A ha|Aantal boringen|||Aantal te analyseren (meng)monsters|||
 +| |Boring tot 0,5 m|Boring tot grondwater <sup>a</sup>|Boring met peilbuis <sup>b</sup>|Grond||Grondwater|
 +| | | | |Bovengrond|ondergrond| |
 +|1 <sup>c</sup>|14|4|2|2|2|2|
 +|2|17|4|3|2|2|3|
 +|3|20|4|4|3|2|4|
 +|4|21|4|5|3|3|5|
 +|5|21|4|6|4|3|6|
 +|A>5|3,5+3,5p <sup>d</sup>|0,5+0,5p|1+1p|1+0,5p|0,5+0,5p|1+1p|
 +<sup>a</sup> Indien de grondwaterspiegel zich ondieper dan 1,0 m beneden het maaiveld bevindt, geldt een boordiepte van 1,0 m. Indien de grondwaterspiegel zich dieper dan 2,0 m beneden het maaiveld bevindt, geldt een boordiepte van 2,0 m.
 +<sup>b</sup> Indien de grondwaterspiegel zich dieper dan 5,0 m beneden het maaiveld bevindt, kan het plaatsen van peilbuizen achterwege blijven. Er wordt wel geboord tot een diepte van 2 m beneden het maaiveld. Indien de diepte van de grondwaterspiegel niet bekend is, geldt een boordiepte van 5 m beneden het maaiveld.
 +<sup>c</sup> Bij een oppervlakte kleiner dan 1 ha is strategie ONV-GR-NL niet van toepassing.
 +<sup>d</sup> //p// is de getalswaarde van de oppervlakte van de locatie, in ha (p > 5 ha). De aantallen boringen moeten worden afgerond op gehele getallen, waarbij het totaal aantal boringen steeds 5 + 5p moet bedragen.
 +
 +----
 +
 +===== 5740 - ONV-GR-L =====
 +
 +|lengte tracé L m|Aantal boringen||Aantal te analyseren (meng)monsters|||
 +| |Boring tot 0,25 m onder ontgravingsdiepte| Én boring met peilbuis <sup>a</sup>|Grond||Grondwater|
 +| | | |Bovengrond|Ondergrond| |
 +|>10000 <sup>b</sup>|60+p|1+0,2p|1+0,2p|1+0,2p|1+0,2p|p <sup>c</sup> = L/200|
 +//<sup>a</sup> Grondwateronderzoek wordt alleen uitgevoerd als de grondwaterspiegel hoger is dan 0,25 m onder de maximale ontgravingsdiepte. Indien de grondwaterspiegel zich dieper bevindt, kan het plaatsen van peilbuizen achterwege blijven. De peilbuizen worden dan vervangen door boringen tot 0,25 m onder de ontgravingsdiepte.
 +<sup>b</sup> Bij een lengte van 10 000 m of minder is deze strategie niet van toepassing, zie daarvoor strategie ONV-L (tabel 3.2).
 +<sup>c</sup> Afronden op hele getallen.//
 +
 +----
 +
 +===== 5740 - VEP =====
 +
 +|Oppervlakte verontreinigingskern A ha| Aantal boringen||Aantal te analyseren (meng)monsters||
 +| |Boring tot 0,5 m onder verontreinigingskern <sup>a</sup>|Boring met peilbuis <sup>d</sup>|Grond verontreinigingskern|Grondwater|
 +|A ≤ 0,01 <sup>b</sup>|2|1|1|1|
 +|0,01 < A ≤ 0,05|3|1|1|1|
 +|0,05 < A ≤ 0,08|4|1|1|1|
 +|0,08 < A ≤ 0,10<sup>c</sup>|5|1|1|1|
 +//<sup>a</sup> In principe geldt een minimale boordiepte van 0,5 m beneden de verontreinigingskern, dan wel 5,0 m indien de onderzijde van de verontreiniging zich dieper dan 5 m bevindt.
 +<sup>b</sup> Bij puntbronnen (A < 0,001 ha) kan, indien de op basis van het vooronderzoek verwachte verontreinigingskern duidelijk waarneembaar is, worden volstaan met het plaatsen van één boring, of, in geval van (zeer) mobiele verontreinigingen (minerale olie, vluchtige aromatische verbindingen en naftaleen en vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen, inclusief mono- en dichloorbenzenen en chloorfenolen), één peilbuis. Indien één peilbuis wordt geplaatst, vindt onderzoek plaats op zowel de grond als in het grondwater.
 +<sup>c</sup> Er wordt uitgegaan van een maximaal oppervlak van de verontreinigingskern van 0,1 ha. Grotere verontreinigingskernen komen vrijwel niet voor. Is dit toch het geval, waarbij binnen de verontreinigingskern sprake is van een homogeen verdeelde verontreinigende stof, dan wordt verwezen naar strategie VED-HO. Is er sprake van een homogeen verdeelde verontreinigende stof, dan kan in overleg met het bevoegd gezag het gewenste aantal boringen, peilbuizen en analyses worden ingevuld met de in tabel 8.1 of tabel 8.2 gegeven aantallen als referentie.
 +<sup>d</sup> De plaatsing van een peilbuis kan achterwege blijven indien wordt voldaan aan alle volgende voorwaarden:
 +i) het grondwater staat dieper dan 5,0 m beneden het maaiveld;
 +ii) op basis van het vooronderzoek kan worden verwacht dat de potentiële bodembelasting niet heeft geleid tot een verontreiniging van het grondwater;
 +iii) tijdens de uitvoering van het veldwerk worden zintuiglijk geen potentieel mobiele verontreinigingen aan de opgeboorde grond waargenomen (zoals olie-waterreacties of verhoogde PID-metingen).
 +Indien de peilbuis achterwege kan blijven, wordt deze vervangen door een boring tot 5 m beneden het maaiveld.
 +//
 +
 +----
 +
 +===== 5740 - VED-OO (één tank) =====
 +
 +|Tank|||||Vulpunt <sup>a,b</sup>||Ontluchtingspunt <sup>a,b</sup>||
 +|Inhoud tank (m<sup>3</sup>)|Aantal boringen||Aantal te onderzoeken monsters||Aantal boringen tot 1,0 m|Aantal te onderzoeken grondmonsters|Aantal boringen tot 1,0 m|Aantal te onderzoeken grondmonsters|
 +| |Boring tot 0,5 m minus onderzijde tank|Én boring met peilbuis <sup>c,d</sup>|Grond|Grondwater|
 +|< 3|1|1|1|1|1|1|1|1|
 +|3 ≤ 5|1|1|1|1|1|1|1|1|
 +|5 ≤ 10|2|1|2|1|1|1|1|1|
 +|10 ≤ 20|2|1|2|1|1|1|1|1|
 +|20 ≤ 50|3|1|2|1|1|1|1|1|
 +|> 50|3|1|2|1|1|1|1|1|
 +|Leidingen <sup>a</sup>||||| ||||
 +| |Aantal boringen tot 0,5 m minus onderzijde leiding|Aantal te onderzoeken grondmonsters| | | | | |
 +|per 10 m leiding|2|1| | | | | | |
 +//<sup>a</sup> Kan vervallen indien het vul- en/of ontluchtingspunt of de leiding op minder dan 2 m afstand van de wand van de tank is gelegen. Hierbij is de afstand tot de rand van de tank maatgevend. Bij de plaatsing van de boringen rondom de tank behoort wel rekening te worden gehouden met de situering van het vul- en/of ontluchtingspunt.
 +<sup>b</sup>Indien ter plaatse van het vul- of ontluchtingspunt een bodembeschermende voorziening in de vorm van een gecertificeerde vloeistofdichte vloer aanwezig is, wordt de boring niet nabij het vul- of ontluchtingspunt geplaatst, maar wordt een peilbuis aan de rand van de bodembeschermende voorziening geplaatst.
 +<sup>c</sup> Indien elders bij de installatie een olieverontreiniging wordt geconstateerd, verdient het aanbeveling hier de boring met peilbuis te plaatsen.
 +<sup>d</sup> De plaatsing van een peilbuis kan achterwege blijven indien wordt voldaan aan alle volgende voorwaarden:
 +i) het grondwater staat dieper dan 5,0 m beneden het maaiveld; 
 +ii) op basis van het vooronderzoek kan worden verwacht dat de potentiële bodembelasting niet heeft geleid tot een verontreiniging van het grondwater; 
 +iii) tijdens de uitvoering van het veldwerk worden zintuiglijk geen potentieel mobiele verontreinigingen aan de opgeboorde grond waargenomen (zoals olie-water reacties of verhoogde PIDmetingen).
 +Indien de peilbuis achterwege kan blijven, wordt deze vervangen door een boring tot 5,0 m beneden het maaiveld.//
 +
 +OPMERKING Wat betreft de boringen nabij leidingen geldt als vuistregel één boring per 5 m leiding. Per twee
 +boringen (10 m leiding) wordt één grondmonster onderzocht met een minimum van één grondmonster per leiding.
 +
 +----
 +
 +===== 5740 - VED-OO (meerdere tanks) ====
 +
 +|Tank|||||Vulpunt <sup>a,b</sup>||Ontluchtingspunt <sup>a,b</sup>||
 +|Inhoud tank (m<sup>3</sup>)|Aantal boringen||Aantal te onderzoeken monsters||Aantal boringen tot 1,0 m|Aantal te onderzoeken grondmonsters|Aantal boringen tot 1,0 m|Aantal te onderzoeken grondmonsters|
 +| |Boring tot 0,5 m minus onderzijde tank|Én boring met peilbuis <sup>c,d</sup>|Grond|Grondwater|
 +|<10|2|1|1|1|1|1|1|1|
 +|10 < 25|2|1|1|1|1|1|1|
 +|25 < 50|3|1|2|1|1|1|1|
 +|50 < 100|3|1|3|1|1|1|1|
 +|>100|3|2|3|2|1|1|1|1|
 +|Leidingen <sup>a</sup>||||| ||||
 +| |Aantal boringen tot 0,5 m minus onderzijde leiding|Aantal te onderzoeken grondmonsters| | | | | |
 +|per 10 m leiding|2|1| | | | | | |
 +<sup>a</sup> Kan vervallen indien het vul- en/of ontluchtingspunt of de leiding op minder dan 2 m afstand van de wand van de tank is gelegen. Hierbij is de afstand tot de rand van de tank maatgevend. Bij de plaatsing van de boringen rondom de tank behoort wel rekening te worden gehouden met de situering van het vul- en/of ontluchtingspunt.  
 +<sup>b</sup> Indien ter plaatse van het vul- of ontluchtingspunt een bodembeschermende voorziening in de vorm van een gecertificeerde vloeistofdichte vloer aanwezig is, wordt de boring niet nabij het vul- of ontluchtingspunt geplaatst, maar wordt een peilbuis aan de rand van de bodembeschermende voorziening geplaatst. 
 +<sup>c</sup> Indien elders bij de installatie een olieverontreiniging wordt geconstateerd, verdient het aanbeveling hier de boring met peilbuis te plaatsen. 
 +<sup>d</sup> De plaatsing van een peilbuis kan achterwege blijven indien wordt voldaan aan alle volgende voorwaarden:
 +i) het grondwater staat dieper dan 5,0 m beneden het maaiveld;
 +ii) op basis van het vooronderzoek kan worden verwacht dat de potentiële bodembelasting niet heeft geleid tot een verontreiniging van het grondwater;
 +iii) tijdens de uitvoering van het veldwerk worden zintuiglijk geen potentieel mobiele verontreinigingen aan de opgeboorde grond waargenomen (zoals olie-waterreacties of verhoogde PID-metingen). Indien de peilbuis achterwege kan blijven, wordt deze vervangen door een boring tot 5 m beneden het maaiveld.
 +<sup>e</sup> Indien de vul- en/of ontluchtingspunten van de tanks van één cluster niet bijeen zijn gelegen, worden de voorgeschreven aantallen boringen en te onderzoeken monsters per vul- en/of ontluchtingspunt uitgevoerd.
 +
 +----
 +
 +===== 5740 - VED-HO-NL =====
 +
 +|Oppervlakte locatie ha|Aantal boringen||Aantal te analyseren (meng)monsters||
 +| |Boring tot 2,0 m|Boring met peilbuis <sup>a</sup>|Grond (verdachte laag) <sup>b</sup>|Grondwater|
 +|<1|5|2|2|2|
 +|>1|5 + p<sup>c</sup>|2 + 0,5p|2 + 0,5p|2 + 0,5p|
 +<sup>a</sup> Indien de grondwaterspiegel zich dieper dan 5 m beneden het maaiveld bevindt, kan het plaatsen van peilbuizen achterwege blijven. De peilbuizen worden in dat geval vervangen door boringen tot ten minste 5 m beneden het maaiveld. 
 +<sup>b</sup> De gegeven aantallen zijn onafhankelijk van de verdachte bodemlaag. 
 +<sup>c</sup> p is de getalswaarde van de oppervlakte van de locatie, in ha (p > 1 ha). De aantallen boringen moeten worden afgerond op gehele getallen, waarbij het totaal aantal boringen steeds 7 + 1,5p moet bedragen. 
 +
 +----
 +
 +===== 5740 - VED-HO-L =====
 +
 +|lengte tracé L m|Aantal boringen|||Aantal te analyseren (meng)monsters|||
 +| |Boring tot 0.25 m onder ontgravingsdiepte|én Boring met peilbuis <sup>a</sup>|Grond||Grondwater|
 +| | | |Bovengrond|ondergrond| |
 +|<1000|1p|1 + 0,05p|1 + 0,05p|1 + 0,05p|1 + 0,05p|p<sup>b</sup>=L/50|
 +|1000-10000|10 + p|1 + 0.1p|1 + 0.1p|1 + 0.1p|1 + 0.1p|p<sup>b</sup>=L/100|
 +|>10000|60 + p|1 +0.2p|1 +0.2p|1 +0.2p|1 +0.2p|p<sup>b</sup>=L/200|
 +<sup>a</sup> Grondwateronderzoek wordt alleen uitgevoerd als de grondwaterspiegel hoger is dan 0,25 m onder de maximale ontgravingsdiepte. Indien de grondwaterspiegel zich dieper bevindt, kan het plaatsen van peilbuizen achterwege blijven, tenzij de onderzoekslocatie verdacht is op de aanwezigheid van vluchtige verbindingen die kunnen uitdampen in de te ontgraven sleuf. Als geen peilbuizen worden geplaatst, worden deze vervangen door boringen tot 0,25 m onder de ontgravingsdiepte.
 +<sup>b</sup> Afronden op gehele getallen.
 +
 +----
 +
 +===== 5740 - VED-HE-NL =====
 +
 +|Oppervlakte locatie //A// ha|Aantal boringen|||Aantal te analyseren (meng)monsters|||
 +| |Boring tot 0,5 m in verdachte laag|Boring tot onderzijde laag / 2m |Boring met peilbuis|Grond (verdachte laag)|Grondwater|
 +|A≤ 0,01|2|1|1|1|1|
 +|0,01 < A≤ 0,05|3|1|1|2|1|
 +|0,05 < A≤ 0,10|5|1|1|3|1|
 +|0,10 < A≤ 0,15|7|1|1|3|1|
 +|0,15 < A≤ 0,20|10|2|1|3|1|
 +|0,20 < A≤ 0,30|11|2|1|3|1|
 +|0,30 < A≤ 0,40|12|2|1|3|1|
 +|0,40 < A≤ 0,50|14|3|1|3|1|
 +|0,50 < A≤ 0,70|15|3|1|3|1|
 +|0,70 < A≤ 0,90|17|4|2|4|2|
 +|0,90 < A≤ 1,0|18|4|2|4|2|
 +|A> 1,0|9 + 9p|2 + 2p|1 + 1p|2 + 2p|1 + 1p|
 +
 +----
 +
 +===== 5740 - VED-HE-L =====
 +
 +|lengte tracé L m|Aantal boringen|||Aantal te analyseren (meng)monsters|||
 +| |Boring tot 0.25 m onder ontgravingsdiepte|én Boring met peilbuis <sup>a</sup>|Grond (verdachte laag)||Grondwater|
 +| | | |Bovengrond|ondergrond| |
 +|alle lengtes|1p|1 + 0,05p|1 + 0,05p|1 + 0,05p|1 + 0,05p|p<sup>b</sup>=L/50|
 +<sup>a</sup> Grondwateronderzoek wordt alleen uitgevoerd als de grondwaterspiegel hoger is dan 0,25 m onder de maximale ontgravingsdiepte. Indien de grondwaterspiegel zich dieper bevindt, kan het plaatsen van peilbuizen achterwege blijven, tenzij de onderzoekslocatie verdacht is op de aanwezigheid van vluchtige verbindingen die kunnen uitdampen in de te ontgraven sleuf. Als geen peilbuizen worden geplaatst, worden deze vervangen door boringen tot 0,25 m onder de ontgravingsdiepte. 
 +<sup>b</sup> Afronden op gehele getallen.
 +
 +----
 +
 +===== 5740 - NUL =====
 +
 +|Oppervlakte potentiële verontreinigingskern //A// ha|Aantal boringen|||Aantal te onderzoeken (meng)monsters|||
 +| |tot 0,5 m|tot 2 m|Boring met peilbuis|Grond per potentieel verdachte bodemlaag|Grondwater|
 +|//A// < 0,01|2|0|1|1|1|
 +|0,01 < //A// < 0,05|3|0|1|1|1|
 +|0,05 < //A// < 0,08|4|0|1|1|1|
 +|0,08 < //A// < 0,10|4|1|1|1|1|
 +|0,10 < //A// < 0,12|5|1|1|1|1|
 +|0,12 < //A// < 0,14|6|1|1|1|1|
 +|0,14 < //A// < 0,16|7|1|1|1|1|
 +|0,16 < //A// < 0,18|7|2|1|2|1|
 +|0,18 < //A// < 0,20|9|2|1|2|1|
 +|0,20 < //A// < 0,30|10|2|1|2|1|
 +|0,30 < //A// < 0,40|10|2|1|2|1|
 +|0,40 < //A// < 0,50|11|3|1|2|1|
 +|0,50 < //A// < 0,60|12|3|1|2|1|
 +|0,60 < //A// < 0,70|12|3|2|2|2|
 +|0,70 < //A// < 0,80|13|3|2|2|2|
 +|0,80 < //A// < 0,90|14|3|2|2|2|
 +|0,90 < //A// < 1,0|14|4|2|3|2|
 +|//A// > 1,0|7 + 7p<sup>a</sup>|2 + 2p|1 + 1p|2 + 1p|1 + 1p|
 +<sup>a</sup> p is de getalswaarde van de oppervlakte van het potentieel verdachte terreindeel in ha (p > 1 ha). De aantallen borigen moeten worden afgerond op gehele getallen, waarbij het totaal aantal boringen steeds 10 + 10p moet bedragen.
 +
 +----
 +
 +===== 5740 - NUL (één tank) =====
 +
 +|Tank|||Vulpunt<sup>a,b</sup>||Ontluchtingspunt<sup>a,b</sup>||
 +|Inhoud tank //V// m<sup>3</sup>|Aantal boringen||Aantal te onderzoeken monsters||Aantal boringen tot 1,0 m|Aantal te onderzoeken grondmonsters|Aantal boringen tot 1,0 m|Aantal te onderzoeken grondmonsters|
 +| |Boring tot 0,5 m minus onderzijde tank|Boring met peilbuis <sup>c,d</sup>|Grond|Grondwater|
 +|//V// < 3|1|1|1|1|1|1|1|1|
 +|3 < //V// < 5|1|1|1|1|1|1|1|1|
 +|5 < //V// < 10|2|1|2|1|1|1|1|1|
 +|10 < //V// < 20|2|1|2|1|1|1|1|1|
 +|20 < //V// < 50|3|1|2|1|1|1|1|1|
 +|//V// > 50|3|1|2|1|1|1|1|1|
 +<sup>a</sup> Kan vervallen indien het vulpunt en/of ontluchtingspunt op minder dan 2 m afstand van de wand van de tank is gelegen. Hierbij is de afstand tot de rand van de tank maatgevend. Bij de plaatsing van de boringen rondom de tank behoort wel rekening te worden gehouden met de situering van het vul- en/of ontluchtingspunt.
 +<sup>b</sup> Indien ter plaatse van het vul- of ontluchtingspunt een bodembeschermende voorziening in de vorm van een gecertificeerde vloeistofdichte vloer aanwezig is, wordt de voorgestelde boring niet nabij het vul- of ontluchtingspunt geplaatst, maar wordt een peilbuis aan de rand van de bodembeschermende voorziening geplaatst.
 +<sup>c</sup> Indien elders bij de installatie een olieverontreiniging wordt geconstateerd, verdient het aanbeveling hier de boring met peilbuis te plaatsen. 
 +<sup>d</sup> Indien de grondwaterspiegel zich dieper bevindt dan 5 m beneden het maaiveld, kan het plaatsen van peilbuizen achterwege blijven. De peilbuizen worden in dat geval vervangen door boringen tot ten minste 5 m beneden het maaiveld.
 +
 +OPMERKING  wat betreft de boringen nabij leidingen geldt als vuistregel een boring 5 m leiding. Per twee boringen (10 m leiding) wordt één grond(meng)monster onderzocht met een minimum van één grondmonster per leiding. 
 +
 +===== 5740 - NUL meerdere og tanks =====
 +
 +|Tank|||Vulpunt<sup>a,b,e</sup>||Ontluchtingspunt<sup>a,b,e</sup>||
 +|Inhoud tank //V// m<sup>3</sup>|Aantal boringen||Aantal te onderzoeken monsters||Aantal boringen tot 1,0 m|Aantal te onderzoeken grondmonsters|Aantal boringen tot 1,0 m|Aantal te onderzoeken grondmonsters|
 +| |Boring tot 0,5 m minus onderzijde tank|Boring met peilbuis 
 +|//V// < 10|2|1|1|1|1|1|1|1|
 +|10 < //V// < 25|2|1|1|1|1|1|1|1|
 +|25 < //V// < 50|3|1|2|1|1|1|1|1|
 +|50 < //V// < 100|3|1|3|1|1|1|1|1|
 +|//V// > 100|3|2|3|2|1|1|1|1|
 +<sup>a</sup> Kan vervallen indien het vulpunt en/of ontluchtingspunt op minder dan 2 m afstand van de wand van de tank is gelegen. Hierbij is de afstand tot de rand van tank maatgevend. bij de plaatsing van de boringen rondom de tank behoort wel rekening te worden gehouden met de situering van het vul- en/of ontluchtingspunt.
 +<sup>b</sup> Indien ter plaatse van het vul- of ontluchtingspunt een bodembeschermende voorziening in de vorm van een gecertificeerde vloeistofdichte vloer aanwezig is, wordt de voorgestelde boring niet nabij het vul- of ontluchtingspunt geplaatst, maar wordt een peilbuis aan de rand van de bodembeschermende voorziening geplaatst.
 +<sup>c</sup> Indien elders bij de installatie een olieverontreiniging wordt geconstateerd, verdient het aanbeveling hier de boring met peilbuis te plaatsen.
 +<sup>d</sup> Indien de grondwaterspiegel zich dieper bevindt dan 5 m beneden het maaiveld, kan het plaatsen van peilbuizen achterwege blijven. de peilbuizen worden in dat geval vervangen door boringen tot ten minste 5 m beneden het maaiveld.
 +<sup>e</sup> Indien de vulpunten of ontluchtingen van de tanks van één cluster niet bijeen zijn gelegen, worden de voorgeschreven aantallen boringen en te onderzoeken monsters per vulpunt/ontluchting uitgevoerd.
 +
 +----
 +
 +===== 5740 - PK In Situ =====
 +
 +|Boordiepte d m|Oppervlakte ruimtelijke eenheid m<sup>2</sup>|Aantal boringen per eenheid<sup>a</sup>|Aantal grepen per boring|
 +|d < 0,25|25000|100|1|
 +|d < 0,5|12500|100|1|
 +|d < 1,0|6250|50|2|
 +|d < 2,0|3125|25|4|
 +|d < 3,0|2083|17|6|
 +|d < 4,0|1563|13|8|
 +|d < 5,0|1250|10|10|
 +|d < 5.0|6250/d<sup>b</sup>|50/d<sup>b</sup>|2d<sup>b</sup>|
 +<sup>a</sup> Indien er sprake is van een niet-doordringbare verhardingslaag mag het aantal te nemen grepen van de onderliggende bodem worden beperkt van 2 maal 50 tot 2 maal 6. een verdere reductie van het aantal boringen met de boordiepte, zoals weergegeven in tabel 13, is dan niet meer toegelaten (dat wil zeggen: ongeacht de boordiepte 12 boringen). 
 +<sup>b</sup> voor d wordt getalswaarde voor de boordiepte in m gehanteerd.
 +
 +----
 +
 +===== 5740 - PK Grootschalig =====
 +
 +|Te toetsen bodemvolume //B// 1000 m<sup>3</sup>|Te toetsen hoeveelheid grond //G// 1000 ton<sup>a,e</sup>|Aantal hectaren bij laagdikte van 0,5 m<sup>d</sup> //A//|Aantal te toetsen eenheden|Aantal eenheden dat de toetsingswaarde mag overschrijden|Totaal aantal te nemen grepen|Totaal aantal te analyseren verzamelmonsters|
 +|125<sup>b</sup> < //B// < 150|200 < //G// < 240|25 < //A// < 30|20|1|2000|40|
 +|150 < //B// < 200|240 < //G// < 320|30 < //A// < 40|23|1|2200|44|
 +|200 < //B// < 250|320 < //G// < 400|40 < //A// < 50|26|1|2500|50|
 +|250 < //B// < 300|400 < //G// < 480|50 < //A// < 60|29|1|2900|58|
 +|300 < //B// < 350|480 < //G// < 560|60 < //A// < 70|31|1|3200|64|
 +|350 < //B// < 400|560 < //G// < 640|70 < //A// < 80|34|1|3500|70|
 +|400 < //B// < 450|640 < //G// < 720|80 < //A// < 90|37|2|3800|76|
 +|450 < //B// < 500<sup>c</sup>|720 < //G// < 800|90 < //A// < 100|40|2|4000|80|
 +<sup>a</sup> De bemonsteringsdichtheid wordt bepaald op basis van het totaal te toetsen bodemvolume/ de totaal te toetsen hoeveelheid grond.
 +<sup>b</sup> Bij een locatie van minder dan 125000 m<sup>3</sup> moeten allen terreineenheden worden getoetst, zie hiervoor de strategie TOETS-S.
 +<sup>c</sup> Bij een locatie van meer dan 500000 m<sup>3</sup> (of zelfs minder) is het zinvol om de grond op basis van BRL 9335 als een product te certificeren.
 +<sup>d</sup> Bij een afwijkende laagdikte wijzigt het aantal hectaren. Dit heeft echter geen consequenties voor het aantal te toetsen eenheden.
 +<sup>e</sup> Indien meer bodemlagen (dus meer partijen) voorkomen en moeten worden getoetst, dan moet elk van deze bodemlagen worden onderzocht op basis van deze tabel. Elke bodemlaag wordt daarbij dus afzonderlijk getoetst.
 +<sup>f</sup> Met de gegeven aantal toetsingen en het maximaal geldende aantal overschrijdingen wordt met ten minste 75% betrouwbaarheid aangetoond dat 95% van de mogelijke partijen in het totale grondgebied voldoen aan de wettelijke eis.
 +
 +----
 +
 +===== 5707 - ONV-KL =====
 +
 +|Oppervlakte locatie //A// ha|Gaten tot 0,5 m (bovengrond)|Boringen tot ongeroerde ondergrond<sup>a</sup>|aantal te analyseren mengmonsters geroerde bodemlaag|
 +|<0,01|2|1|1|
 +|0,01-0,05|2|2|1|
 +|0,05-0,10|4|2|1|
 +|0,10-0,15|6|2|1|
 +|0,15-0,20|8|3|2|
 +|0,20-0,30|9|3|2|
 +|0,30-0.40|10|3|2|
 +|0,40-0,50|11|4|2|
 +|0,50-0,70|12|4|2|
 +|0,70-0,90|13|6|3|
 +|0,90-1,00|14|6|3|
 +<sup>a</sup> Het verkennend onderzoek asbest beperkt zich normaal gesproken tot een maximale diepte van circa 2 m.
 +
 +----
 +
 +===== 5707 - ONV-GR =====
 +
 +|Oppervlakte locatie //A// ha|Gaten tot 0,5 m (bovengrond)|Boringen tot ongeroerde ondergrond<sup>a</sup>|aantal te analyseren mengmonsters geroerde bodemlaag|
 +|1<sup>b</sup>|14|6|2|
 +|2|17|7|2|
 +|3|20|8|3|
 +|4|21|9|3|
 +|5|21|10|4|
 +|6|25|11|4|
 +|7|28|12|5|
 +|8|32|13|5|
 +|9|35|15|6|
 +|10|39|16|6|
 +|p<sup>c</sup>|3,5 +3,5p|1,5+1,5p|1+0.5p|
 +<sup>a</sup> Het verkennend onderzoek asbest beperkt zich normaal gesproken tot een maximale diepte van ca. 2 m.
 +<sup>b</sup> Bij een oppervlakte < 1 ha is de strategie voor grootschalige onverdachte locaties niet van toepassing en behoort de strategie zoals weergegeven in 6.4.2 te worden toegepast.
 +<sup>c</sup> p is de getalswaarde van de oppervlakte van de locatie, in ha (p ≥ 10); het aantal gaten afronden naar boven op gehele getallen, waarbij het totaal aantal gaten steeds (5 + 5p) moet bedragen.
 +
 +----
 +
 +===== 5707 - VED =====
 +
 +|Oppervlakte per verontreinigingskern  ha|Minimaal aantal visueel te inspecteren punten van het maaiveld<sup>a</sup>|Aantal gaten tot de onverdachte ondergrond<sup>b</sup>|aantal te analyseren (meng)monsters per verontreinigingskern|
 +|<0,001|1|1|1|
 +|0,001-0,01|2|2|1|
 +|0,01-0.05|3|3|1|
 +|0,05-0,08|4|4|1|
 +|0,08-0,10<sup>c</sup>|5|5|1|
 +<sup>a</sup> Is alleen van toepassing wanneer meer dan 100 cm<sup>2</sup> aan asbestverdacht materiaal per m<sup>2</sup> wordt aangetroffen.
 +<sup>b</sup> Het verkennend onderzoek asbest beperkt zich normaal gesproken tot een maximale diepte van ca. 2 m.
 +<sup>c</sup> Er wordt uitgegaan van een maximale oppervlakte van de verontreinigingskern van 0,1 ha. grotere kernen behoren te worden onderzocht met de strategie 'verdacht heterogeen' (6.4.5).
 +
 +----
 +
 +===== 5707 - VED-HE =====
 +
 +|Oppervlakte locatie  ha|Minimaal aantal te inspecteren punten van het maaiveld<sup>a</sup>|Gaten in de verdachte laag tot maximaal 0,5 m in de verdachte laag<sup>b</sup>|Gaten tot onderzijde verdachte laag met een maximum van 2 m<sup>b</sup>  |Aantal te analyseren (meng)monsters per verdachte laag|
 +|<0,01|2|2|1|1|
 +|0,01-0,05|3|3|1|1|
 +|0,05-0,10|5|5|1|1|
 +|0,10-0,15|7|7|1|2|
 +|0,15-0,20|10|10|2|2|
 +|0,20-0,30|11|11|2|3|
 +|0,30-0.40|12|12|2|3|
 +|0,40-0,50|14|14|3|3|
 +|0,50-0,70|15|15|3|3|
 +|0,70-0,90|17|17|4|4|
 +|0,90-1,00|18|18|4|4|
 +|P<sup>c</sup>|9 + 9p|9 + 9p|2 + 2p|2 + 2p|
 +<sup>a</sup> Is alleen van toepassing wanneer meer dan 100 cm<sup>2</sup> aan asbest verdacht materiaal per vierkante meter wordt aangetroffen. Bij verontreinigingen die zich alleen in de ondergrond bevinden is een visuele inspectie van het maaiveld niet noodzakelijk.
 +<sup>b</sup> Gaten worden in principe uitgevoerd tot aan de onverdachte ondergrond, maar maximaal 0,5 m respectievelijk 2,0 m diep.
 +<sup>c</sup> p is de getalswaarde van de oppervlakte van de locatie in ha (p > 1); het aantal gaten afronden naar boven op gehele getallen, waarbij het totaal aantal gaten steeds (11 + 11p) behoort te bedragen. 
 +
 +----
 +
 +===== 5707 - Min greepGR en monsterGR =====
 +
 +|Maximale deeltjesgrootte (D<sup>100</sup>) mm|Minimale greepgrootte kg|Minimale monstergrootte zonder verwijderen grove fractie kg| Minimale monstergrootte na verwijderen grove fractie kg ds|
 +|<5|0,05|10|10<sup>bs</sup>|
 +|5- 10|0,1|15|10|
 +|10- 20|0,5|50|10|
 +|20- 30|1,5|150|10|
 +|30- 40|3|300|10|
 +|40- 50|6|500|10|
 +|50- 75|18|1000|10|
 +|75- 100|40|2000|10|
 +<sup>a</sup> De minimale monstergrootte in de tabel is gespitst in een monstergrootte indien er geen monstervoorbehandeling wordt uitgevoerd en de monstergrootte indien er op locatie wel een monstervoorbehandeling wordt uitgevoerd.
 +<sup>b</sup> De minimale monstergrootte bij deze kleine deeltjes kan in principe kleiner zijn dan de in de tabel vereiste 10 kg ds, maar is in relatie tot de samen te stellen mengmonsters op de massa vastgesteld.
 +
 +----
 +
 +===== 5897 - Kleinschalig=====
 +
 +|Oppervlakte m<sup>2</sup>|Minimaal aantal gaten (door de verharding of aan de rand van verharding)|Minimaal aantal te analyseren monsters|
 +|<10|2|1|
 +|10-100|3|1|
 +|100-500|4|1|
 +|500-800|5|1|
 +|800-1000|6|1|
 +|1000-1500|7|2|
 +|1500-2000|12|2|
 +|2000-3000|13|3|
 +|3000-4000|14|3|
 +|4000-5000|17|3|
 +|5000-7000|18|3|
 +|7000-9000|21|4|
 +|9000-10000|22|4|
 +|p|11 + 11 x (p/10000)<sup>a</sup>|2 + 2 x (p/10000)<sup>a</sup>|
 +<sup>a</sup> p is de getalswaarde van de oppervlakte m<sup>2</sup>
 +
 +----
 +
 +===== 5897 - Grootschalig =====
 +
 +|Oppervlakte m<sup>2</sup>|Minimaal aantal gaten (door de verharding of aan de rand van verharding)|Minimaal aantal te analyseren monsters|
 +|10000|20|2|
 +|20000|24|2|
 +|30000|28|3|
 +|40000|30|3|
 +|50000|31|4|
 +|60000|36|4|
 +|70000|40|5|
 +|80000|45|5|
 +|90000|50|6|
 +|100000|55|6|
 +|p|5 + 5 x (p/10000)<sup>a</sup>|1 + 0,5 x (p/10000)<sup>a</sup>|
 +<sup>a</sup> p is de getalswaarde van de oppervlakte m<sup>2</sup>
 +
 +----
 +
 +===== 5897 - kleinschalig halfverharding =====
 +
 +|Oppervlakte m<sup>2</sup>|Minimaal aantal gaten (door de verharding of aan de rand van verharding)|Minimaal aantal te analyseren mengmonsters|
 +|<10|2|1|
 +|10 < 100|3|1|
 +|100 < 500|4|1|
 +|500 < 800|5|1|
 +|800 < 1000|6|1|
 +|1000 < 1500|7|2|
 +|1500 < 2000|12|2|
 +|2000 < 3000|13|3|
 +|3000 < 4000|14|3|
 +|4000 < 5000|17|3|
 +|5000 < 7000|18|3|
 +|7000 < 9000|21|4|
 +|9000 < 10000|22|4|
 +|p|11 + 11 x (p/10000)<sup>a</sup>|2 + 2 x (p/10000)<sup>a</sup>|
 +<sup>a</sup> p is de getalswaarde van de oppervlakte in m<sup>2</sup>.
 +
 +----
 +
 +===== 5897 - BSA en granulaat =====
 +
 +|Volume partij m<sup>3</sup>|Minimaal te inspecteren oppervlak m<sup>2</sup>|Minimaal aantal te analyseren monsters|Volume partij m<sup>3</sup>| Minimaal te inspecteren oppervlak m<sup>2</sup>|Minimaal aantal te analyseren monsters|
 +|<10|4 x 25|1|2000 < 3000| 26 x 25|5|
 +|10 < 100|6 x 25|1|3000 < 4000|28 x 25|5|
 +|100 < 500|8 x 25|1|4000 < 5000|34 x 25|6|
 +|500 < 800|10 x 25|2|5000 < 7000|36 x 25|6|
 +|800 < 1000|12 x 25|2|7000 < 9000|42 x 25|7|
 +|1000 < 1500|16 x 25|3|9000 < 10000|44 x 25|8|
 +|1500 < 2000|24 x 25|4|p|22 + 22 x (p/10000) x 25<sup>a</sup>|4 + 4 x (p/10000)<sup>a</sup>|
 +<sup>a</sup> p is de getalswaarde van de omvang in m<sup>3</sup>
 +
 +----
 +
 +===== 5897 - greep- en monstergootte t.o.v. asbesth deeltjes =====
 +
 +|Maximale deeltjesgrootte (D<sup>100</sup>) mm|Minimale greepgrootte kg|Minimale monstergrootte zonder verwijderen grove fractie kg|Minimale monstergrootte na verwijderen grove fractie kg|
 +|<5|0,05|10|10<sup>b</sup>|
 +|5- 10|0,1|15|15|
 +|10- 20|0,5|50|25|
 +|20- 30|1,5|150|25|
 +|30- 40|3|300|25|
 +|40- 50|6|500|25|
 +|50- 75|18|1000|25|
 +|75-100|40|2000|25|
 +<sup>a</sup> De minimale monstergrootte in de tabel is gesplitst in een monstergrootte indien er geen monstervoorbehandeling wordt uitgevoerd en een monstergrootte indien er op locatie wel een monstervoorbehandeling wordt uitgevoerd.
 +<sup>b</sup> De minimale monstergrootte bij deze kleine deeltjes kan in principe kleiner zijn dan de in de tabel vereiste 25 kg, maar is in de relatie tot de samen te stellen mengmonsters op de massa vastgesteld.
 +
 +----
 +
 +===== CROW210 - asfalt vóór 1995 =====
 +
 +|Oppervlakte m<sup>2</sup>|Minimaal aantal kernen ||
 +|<100 m2|1||
 +|<500 m2|2||
 +|>500 m2|1+1 per 500 m2||
 +|>10000 m2 of snelweg|1+1 per 1000 m2||
 +|>100000 m2 of snelweg|1+1 per 10000 m2||
 +
 +==== analyses ====
 +
 +|Oppervlakte m<sup>2</sup>|Minimaal aantal analyses ||
 +|0-25 ton|0||
 +|0-200 ton|1||
 +|200-1000 ton|2||
 +|1000-2000 ton|3||
 +|elke 2000 ton meer|1 extra analyse||
 +
 +----
 +
 +===== CROW210 - asfalt na 1994 =====
 +
 +|Oppervlakte m<sup>2</sup>|Minimaal aantal kernen ||
 +|<1000 m2|2||
 +|>1000 m2|1+1 per 1000 m2||
 +|>100000 m2 of snelweg|1+1 per 10000 m2||
 +
 +==== analyses ====
 +
 +|Oppervlakte m<sup>2</sup>|Minimaal aantal analyses ||
 +|Indien geen PAK's met PAK-marker en asfalt na 1994|0||
 +|0-25 ton|0||
 +|0-200 ton|1||
 +|200-1000 ton|2||
 +|1000-2000 ton|3||
 +|elke 2000 ton meer|1 extra analyse||
  

Donate Powered by PHP Valid HTML5 Valid CSS Driven by DokuWiki